Het European Disability Forum (EDF), de Europese koepel van gebruikersorganisaties van personen met een handicap, streeft naar een handicap-specifieke richtlijn. Wat betekent dat?
Onze Belgische Antidiscriminatiewet (ADW) is een uitvoering van de Europese Richtlijn 2000/78/EC van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep. Ze verbiedt discriminatie, onder andere van personen met een handicap, en garandeert redelijke aanpassingen, op vlak van arbeid. De verschillende Europese lidstaten zouden deze Richtlijn intussen hebben moeten ingevoerd. In België wordt noodgedwongen opnieuw gesleuteld aan de bestaande wet (zie vorige Nieuwsbrief). Maar deze bescherming beslaat dus enkel het beleidsdomein Werk.
Het EDF pleit voor een alomvattende Europese Richtlijn voor gelijke behandeling van personen met een handicap. Ze moet, net zoals de Richtlijn 200/78 (en de ADW), directe en indirecte discriminatie, pesten en het niet voorzien in redelijke aanpassingen verbieden. Maar het werkingsterrein van de Richtlijn zou veel breder moeten zijn: sociale bescherming en sociale zekerheid, gezondheidszorg, welzijn, sociale voordelen, onderwijs, toegang tot goederen en diensten, toegankelijkheid van openbare gebouwen, transport, informatie en communicatie, beeldvorming over personen met een handicap in de media, enz. Men pleit ook voor krachtige controlemechanismen op de uitvoering van de Richtlijn.
Er zijn heel wat argumenten te bedenken tegen een dergelijke Richtlijn. We overlopen en beantwoorden ze.
Waarom moet er een Richtlijn komen die specifiek mikt op gelijke behandeling van mensen met een handicap? Zij zijn toch mensen zoals iedereen, waarom is een algemene regelgeving dan niet voldoende?
Het antwoord op deze vraag is dezelfde als deze met betrekking tot het nieuwe én specifieke VN-verdrag voor gelijke rechten van personen met een handicap:
Ja, die algemene regelgeving volstaat principieel wel maar in de praktijk kan de rechtsbescherming veel beter.
Mensenrechten zijn universeel en dienen te gelden voor elke burger. Ongeacht of zij/hij nu al dan niet tot een bepaalde minderheids- of achtergestelde groep behoort. Maar heel wat oorzaken van achterstelling en discriminatie zijn wel specifiek aan een bepaalde groep.
Daarom maakte onze eigen overheid en de Europese Unie in het verleden al een onderscheid en een specifieke regelgeving voor bevolkingsgroepen als vrouwen (vb. Europese richtlijn 2004/113 voor de gelijke behandeling tussen vrouwen en mannen op vlak van dienstverlening), mensen van een andere etnisch-culturele minderheid (vb. de Richtlijn 2000/43/EC van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming), enz.
In het geval van mensen met een beperking is het niet voldoende voor een staat om directe discriminatie (vb. iemand met een handicap wordt omwille van haar/zijn beperking de toegang tot een restaurant of discotheek geweigerd) te bestrijden. Want in onze West-Europese landen is het vooral de indirecte discriminatie (vb. onvoorziene negatieve gevolgen van wetgeving) die mensen met een handicap achterstelt.
In zijn verslag "Human Rights and Disabled Persons" vermeldt de speciale rapporteur van de hoge VN-commissie voor de mensenrechten:
In de meeste landen nemen de schendingen van de mensenrechten van personen met een handicap de vorm aan van onbewuste discriminatie, met inbegrip van het opwerpen en onderhouden van door de mens gemaakte hinderpalen die personen met een handicap verhinderen volledig te participeren in het sociale, economische en politieke leven van hun gemeenschap. De meeste regeringen hebben blijkbaar een eng concept van de mensenrechten van personen met een handicap en gaan ervan uit dat het volstaat geen maatregelen te nemen die voor die mensen negatieve gevolgen hebben. Bijgevolg worden personen met een handicap verwaarloosd wat het mensenrechtenbeleid en de mensenrechtenwetgeving betreft.
Het gaat in het geval van mensen met een functiebeperking veel minder om de bestrijding van ongelijke behandeling in een gelijke situatie (vb. twee sollicitanten scoren even goed maar de persoon met de handicap wordt om die reden geweigerd) maar om de nadelen van de GELIJKE behandeling in een ONGELIJKE situatie.
Mensen met een handicap hebben om ‘evenwaardig te kunnen participeren’ aan alle domeinen van het leven nood aan voldoende ondersteuning (vb. assistentie en hulpmiddelen), redelijke aanpassingen (vb. een toegankelijke omgeving, aangepast openbaar vervoer, flexibele werkuren) en aan de juiste ingesteldheid (in plaats van vooroordelen, betuttelende mentaliteit). Wanneer het hier aan ontbreekt (en dat is nog heel veel het geval, denk alleen al aan de ontoegankelijkheid van onze openbare weg en gebouwen) hebben ze wel het formele ‘recht’ maar zeker geen gelijke kansen.
Wat ook als een knelpunt wordt ervaren is het gebrek aan zichtbaarheid en herkenbaarheid van mensen met een handicap. Heel wat beperkingen zijn niet op het eerste zicht herkenbaar. Wat de ene persoon als een beperking aanvaardt is ook verschillend aan de andere en niet iedereen wil zich bijvoorbeeld profileren als een persoon met een functiebeperking….
Op een hoger niveau is er het overheidsbeleid dat voor mensen met een handicap nog steeds een verzorgende in plaats van een inclusieve invalshoek heeft. Er zijn er wel veel cijfers op vlak van welzijns -en categoriaal beleid (vb. gebruik van hulpmiddelen, beroep doen op zorginstellingen, leerlingencijfers in het buitengewoon onderwijs, aantal werknemers van beschutte werkplaatsen) maar amper gegevens over de participatie van personen met een handicap aan de reguliere samenleving. Gelijke kansen en sociale inclusie kunnen dus amper worden gemeten… waardoor een ganse bevolkingsgroep onzichtbaar wordt.
Een laatste argument is het gevaar voor verdringing. Een aandachtspunt bij het streven naar inclusief beleid, waarbij overheidsbeleid op alle domeinen automatisch rekening houdt met de noden en situatie van kansengroepen, is dat het overzichtsplaatje daardoor grijzer wordt. Er blijven immers specifieke verschillen tussen verschillende kansengroepen en redenen voor achterstelling. Die zijn bijvoorbeeld volledig anders tussen allochtonen en personen met een handicap. De oplossingen zijn dus ook in grote mate anders. Er is bovendien het gevaar dat we gaan veralgemenen. We kunnen het slechts beperkt hebben over ‘de persoon met een handicap’… want deze kansengroep zelf is al zo verscheiden.
Waarom is er nog een dergelijke richtlijn nodig? Er is nu toch het specifieke VN-verdrag?
GRIP gaf in haar artikelen over het VN-verdrag al aan dat de afdwingbaarheid, controle en klachtenmogelijkheid van het nieuwe Verdrag veel beter is dan de vroegere VN-Standaardregels voor gelijke kansen van personen met een handicap.
Maar veel blijft afhangen van de invoering door de nationale staten (en gewesten en gemeenschappen) in hun eigen wetgeving. De klachtenprocedure naar de Verenigde Naties is bovendien ingewikkeld en langdradig. Mogelijk verandert na een lange procedure een uitspraak over een individuele klacht iets voor een groep mensen met een handicap maar wellicht niets voor het individuele oorspronkelijke slachtoffer.
Het is anders in het geval van Europese Richtlijnen. Deze geven aan de EU-lidstaten een kader maar ook doelstellingen die binnen een bepaalde vastgelegde periode dienen te worden omgezet in de nationale wetgeving. Hierdoor worden rechten gecreëerd die door individuen kunnen worden afgedwongen. Gebeurt dit niet dan kunnen lidstaten vervolgd worden door het Europees Hof van Justitie. Wanneer lidstaten traag zijn om deze richtlijnen in te voeren (en daarin is België een slechte leerling!) kunnen individuen de richtlijnen toch al aangrijpen in rechtszaken voor Belgische rechtbanken.
En volgens het EDF is net het feit dat het VN-verdrag er is meer reden om ook een specifieke richtlijn te hebben. Het zou alvast een eerste uitwerking van het VN-verdrag zijn op EU-niveau.
Waarom moet dat allemaal op internationaal niveau worden bekokstoofd? Waarom volstaat onze eigen Vlaamse en Belgische regelgeving niet?
GRIP stelt vast dat de meest vernieuwende principes op vlak van zorg, inclusie, beleidsvoering en antidiscriminatie telkens weer van het Europese en nu zelfs mondiaal niveau binnenwaaien in Vlaanderen. Het denken over handicap, het gevoerde beleid voor gelijke kansen en de organisatie van zorg en ondersteuning blijft in Vlaanderen zeer gekleurd door een zorgdenken en het zogenaamde medisch model.
In die mate dat vernieuwende principes (na enige tijd) wel worden herkend en erkend door gebruikersorganisaties maar dat dit helemaal niet (snel) leidt tot structurele wijzigingen in het overheidsbeleid of een voet aan de grond krijgen van een sociaal of zelfs cultureel model in het kijken naar handicap.
Ofte… zonder die internationale bewegingen was er nu wellicht (nog) geen PAB, PGB, antidiscriminatiewet, inclusiedenken of gelijke kansenbeleid voor mensen met een handicap.