Ouders van kinderen met een beperking ijveren voor meer opvangplaatsen, kopte onder meer De Morgen op 7 juni jl. en zagen we ook in het Journaal die dagen. 300 mensen betoogden tegen de wachtlijsten en dit bij de start van een tweedaags colloquium van minister Vandeurzen. Een terechte aanklacht en een pijnlijk probleem voor heel de Vlaamse Regering. Want al jaren laat die na om voldoende budgetten vrij te maken voor het lenigen van de ondersteuningsnoden. Nochtans voorziet het VN-Verdrag voor de Rechten van Personen met een Handicap een recht op "ondersteuning" om volwaardig deel uit te maken van samenleving.
Want gaan werken, naar school gaan, wonen in een gewoon huis,... is voor veel mensen met een handicap onmogelijk zonder de juiste assistentie of hulpmiddelen. België en ook Vlaanderen ondertekenden dit VN-Verdrag een aantal jaar geleden en riskeren een sanctie van de VN indien hun inspanningen niet voldoen.
De Vlaamse overheid wil zorggarantie realiseren tegen 2020 voor de mensen met de grootste ondersteuningsnoden. Voldoet dit voor een rijke regio als Vlaanderen? Gezien de aangroei in plaats van afbouw van de wachtlijsten kan men dit sterk betwijfelen. Bovendien gaat de vooropgestelde "zorggarantie" slechts over een bepaalde groep. Wat met alle andere mensen met een handicap die ook ondersteuningsnoden hebben?
"Er is niet meer geld. Het is een bodemloze put", horen we aan de andere kant. Dat moeten we toch relativeren. Vlaanderen is op socio-economisch en demografisch vlak niet zo anders dan pakweg Nederland. Toch weet Nederland het probleem al jaren grotendeels af te houden door een ander beleid. Eén: in Nederland is het een politieke keuze om het macro-budget voor ondersteuning te verhogen indien dit onvoldoende dreigt te worden. En twee: men werkt er al jaren met een persoonsgebonden budget (pgb) waarmee de persoon met een handicap zelf zijn ondersteuning kan onderhandelen en inkopen. Nederlands onderzoek wijst uit dat mensen met hetzelfde geld meer ondersteuning kunnen realiseren dan wanneer ze voor het klassieke voorzieningensysteem zouden kiezen. Wat blijkt bovendien? De pgb-ers zetten hun budget ten volle in voor het verwezenlijken van inclusie: zelfstandig wonen, werken, onderwijs, engagementen in vrije tijd, etc. Op die manier dragen zij bij als actieve burgers aan de samenleving.
Conclusie: De betogers hebben gelijk. Er is wel degelijk een centenkwestie. De middelen moeten de noden volgen. Anders blijft het recht op ondersteuning van mensen met een handicap een lege doos. Maar er is ook de vraag hoe we met deze middelen meer mensen kunnen ondersteunen om volwaardige burgers te worden. En het is toch verwonderlijk dat dit thema op het colloquium zelf niet serieus blijkt aangepakt. Er ontbreekt een degelijke analyse van de situatie. Hoeveel besteedt Vlaanderen aan ondersteuning in totaal en per persoon (wat is de input)? En in hoeverre krijgen personen met een handicap hierdoor werkelijk kansen om volwaardig te participeren en bij te dragen aan de samenleving (wat is de outcome)? In welke mate is het ondersteuningsbeleid dus efficiënt en effectief? En vooral: hoe kunnen we met de middelen meer ondersteuning realiseren zonder dat hiervoor de netwerken moeten worden uitgemolken?