Dossier: de beleidsnota's van de nieuwe ministers gewikt
en gewogen - printbare
versie
Welzijn
Gelijke Kansen
Onderwijs
Ruimtelijke Ordening
Bestuurszaken
Werkgelegenheid
Media
Hoofdstuk vier van de beleidsnota van Inge Vervotte, minister van Welzijn, Volksgezondheid en het Gezin, gaat over mensen met een handicap. Het hele hoofdstuk is nogal vaag. Wij hopen duidelijke en concrete engagementen terug te vinden in de beleidsbrief voor 2005.
Hallo ? PGB… ?
12 december 2001 is de datum waarop het decreet
persoonsgebonden budget goedgekeurd werd. Het persoonsgebonden budget is
een alternatief financieringssysteem. Het centrale idee is mensen met een handicap
zelf de financiële middelen te geven om de ondersteuning die ze nodig hebben
zelf te organiseren of te kopen waar ze dat zelf wensen. Meer uitleg vind je
in de
memorie van toelichting bij het decreet. In het voorjaar van 2004 publiceerde
een expertencel een
voorstel tot uitvoering van dit decreet.
In de beleidsnota van minister Vervotte vinden we niéts meer
terug van dit PGB. Nergens staat wat de plannen zijn. Gaat men verder met onderzoek,
gaat men het decreet eigenlijk wel uitvoeren en welke is de timing hiervoor?
Er moet dringend duidelijkheid komen over de uitvoering van het PGB decreet.
Niemand in de sector is gebaat met onduidelijkheid.
PAB onder druk
GRIP stelt vast dat het Persoonlijk Assistentie Budget ter discussie staat.
Waar in het
regeerakkoord nog sprake was van een onderzoek naar de doelmatigheid van
het PGB wordt dit nu uitgebreid naar het PAB. De minister schrijft dat ze kennis
wil nemen van de gevoerde evaluatie. Op basis van deze informatie
wil de minister de haalbaarheid en wenselijkheid herbekijken.
In de wandelgangen verkondigen sommigen al opgelucht het afschaffen van het
Persoonlijk Assistentie Budget. Dit zou een ramp betekenen voor de meer dan
3200 mensen die op de wachtlijst voor het PAB staan.
GRIP vraagt dat men op z’n minst uitvoert wat beloofd werd: Het groeipad
waarmee men de wachtlijsten wou wegwerken tot 2007. Dit betekent tegen 2007
2200 PAB’s.
Een evaluatie van het PAB kan niet gebeuren zonder dat de personen met een handicap
hier zelf bij betrokken worden. De conclusie mag ten slotte niet leiden tot
een beperking van de inzetbaarheid van het PAB. Er is juist
méér nood aan een ruimere inzetbaarheid.
Gelijke keuze?
Men lijkt in de beleidsnota het streven naar één centrale wachtlijst
te verlaten. Nu zijn er twee wachtlijsten. Er is een aparte
wachtlijst voor PAB en een wachtlijst voor de vragen om zorg in een voorziening.
Indien deze twee wachtlijsten samengevoegd worden zal er een duidelijker zicht
zijn op de globale vraag. Bovendien zal dan elke zorgvraag gelijk behandeld
worden. Het is de urgentiecode die telt en niet welke zorgvorm men vraagt.
Dekt de subtitel ‘vrije keuze garanderen door voldoende en aangepast aanbod’
wel de lading? Zal er werkelijk een vrije keuze zijn en zal het aanbod aangepast
zijn?
GRIP wil dat men de keuzevrijheid tussen verschillende gelijkwaardige zorgvormen
garandeert. De idee van de centrale wachtlijst mag daarom niet worden verlaten.
Hulpmiddelen te duur?
Dat het hulpmiddelenbeleid veel personen met een handicap kopzorgen bezorgt,
is al lang duidelijk. Daarom is het ook jammer dat de minister hierover erg
vaag blijft. Binnen de budgettaire krijtlijnen zal het aanbod geëvalueerd
en aangepast worden, lezen we. Dit kan alle kanten uit. Als we verder lezen
dat de budgettaire ruimte de eerste jaren krap is vrezen we voor het ergste.
Van een hervorming van de procedure op basis van de ervaringen van gebruikers
is al helemaal geen sprake.
GRIP wil dat de bedragen op de refertelijst herbekeken worden.
Nu moeten mensen uit eigen portefeuille vaak bijpassen als ze een hulpmiddel
aankopen.
Verder vraagt GRIP een grondige hervorming van het hulpmiddelenbeleid. De ervaringen
van gebruikers zijn hiervoor cruciaal. Het nomenclatuursysteem werkt
niet want er wordt onvoldoende gezocht naar een oplossing voor een
individueel probleem.
Wegwerken van de wachtlijsten ?
De minister stelt dat ze de uitdaging aangaat om het uitbreidingsbeleid gebaseerd op de programmatiestudie over de periode 2003-2007 binnen deze legislatuur uit te voeren. GRIP juicht dit toe en hoopt dat de wachtlijsten in 2007 van de baan zijn. Zolang er wachtlijsten zijn bestaat er geen echte keuzevrijheid. Wachtlijsten maken de personen met een handicap heel erg afhankelijk van de goodwill van anderen. Daarom is het een goede zaak dat hierover een duidelijk engagement staat in de beleidsnota.
Zorg op maat ?
Een belangrijke trend die de afgelopen jaren werd ingezet is die naar meer zorg op maat. Waar de bijstand voor personen met een handicap vroeger uitging van grote groepen en collectieve opvang kwam nu de individuele vraag meer centraal te staan. In de beleidsnota van de minister komt dit principe terug. Maar GRIP is niet zeker of die zorg op maat nog steeds vertrekt vanuit een vraaggestuurde zorg. We hopen dat men verder gaat op het ingeslagen pad. Belangrijke vragen zijn: Zullen de zorgmodules tegemoet kunnen komen aan de wensen en noden van een individuele gebruiker? Zal er voldoende flexibiliteit zijn?
In haar beleidsnota formuleert de minister de evolutie naar differentiatie in de zorgprogramma’s als een uitdaging. Het zal inderdaad een uitdaging zijn om met de differentiatie in de zorgprogramma’s zorg op maat te realiseren. GRIP wil dat de invulling van het principe zorg op maat bewaakt wordt. Het zijn niet de voorzieningen maar de gebruikers van de zorg die in deze oefening centraal moeten staan.
Inclusief of Gelijke Kansen beleid?
Het sensibiliseren van alle organisaties om maximale integratie-effecten na te streven ziet de minister als haar opdracht. Dit op het vlak van inclusief onderwijs, de erkenning van de Vlaamse gebarentaal, de overheveling van de aangepaste vrijetijdsbesteding naar het domein cultuur, jeugd, mobiliteit en sport.
Dit zijn goede voornemens. Ze kunnen echter niet slagen zonder de samenwerking met andere ministers. Samenwerken met de Minister van Gelijke Kansen Van Brempt, verantwoordelijke voor de coördinatie van het Gelijke Kansenbeleid, is een eerste noodzakelijke stap.
Inclusief welzijnsbeleid
De nieuwe overheidsgebouwen toegankelijk maken, meer geïntegreerde woonvormen ondersteunen en geen discriminatie bij de zorgverzekering zijn de concrete plannen voor een meer inclusief welzijnsbeleid.
Wat betreft de toegankelijkheid van overheidsgebouwen verwijzen we naar onze
opmerkingen bij de beleidsnota Ruimtelijke Ordening.
De keuze voor meer geïntegreerde woonvormen is een goede stap. Hopelijk
zal dit ook merkbaar zijn aan de besteding van de VIPA middelen.
Trajectbegeleiding
Over trajectbegeleiding
lezen we geen woord in de beleidsnota. Dit besluit werd nochtans enkele weken
geleden in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Het is dan aan de bevoegde
minister om werk te maken van de implementatie.
GRIP vraagt duidelijkheid over de toekomst van de trajectbegeleiding.
GRIP is voorstander van de versterking van de positie van de gebruikers en van
het erkennen van de expertise van personen met een handicap.
Diagnose en indicatiestelling
De nood aan een eenvoudige en eenduidige indicatiestelling komt terug in verschillende
hoofdstukken van de beleidsnota. Hiervoor wordt aan een instrument gewerkt.
Netwerkvorming tussen sectoren en afspraken met de federale regering moeten
dit werkbaar maken.
GRIP onderkent de noodzaak hiervan en is vragende partij voor 1 dossier en 1
inschaling onafhankelijk van welke zorgvorm men kiest.
Wat doet GRIP?
|
Duidelijke visie
Kathleen Van Brempt is de nieuwe minister van Gelijke Kansen. Zij lichtte haar beleid al toe in verschillende kranteninterviews. Een citaat uit het interview dat op 6 november in de Standaard verscheen: ‘Gelijke kansen zijn geen illusie, wel een droom. Vroeger droomden we van de gelijkheid van man en vrouw. Dat leek onhaalbaar, maar intussen staan we toch maar veel verder. Dezelfde beweging, het bieden van kansen, moeten we doen voor allochtonen, holebi's, gehandicapten’
De beleidsnota vertrekt vanuit een duidelijke visie op het gelijkekansenbeleid. Al in de inleiding staat te lezen: ‘het gelijkekansenbeleid moet oog hebben voor de verschillen tussen sociale groepen, maar ook voor de individuele ontplooiing en ontwikkeling van mensen binnen die groepen, waarbij niemand wordt uitgesloten en iedereen zich verantwoordelijk voelt voor de onderlinge samenhang.’ Belangrijke pijlers zijn emancipatie, non-discriminatie, diversiteit en solidariteit.
De minister ziet vier domeinen als grote uitdagingen. Op het domein van socialisatie, de loopbaanontwikkeling, de leefwereld en de participatie moet er prioritair werk gemaakt worden van gelijke kansen. Groot struikelblok in de leefwereld van personen met een handicap is de ontoegankelijke samenleving.
Toegankelijkheid
Toegankelijkheid wordt in de beleidsnota een sleutelelement genoemd. Het is
de noodzakelijke voorwaarde voor de evenwaardige deelname van mensen met een
handicap aan de samenleving. Zolang er overal drempels en hindernissen (letterlijk
maar ook figuurlijk) zijn, kunnen we niet spreken over gelijke kansen voor personen
met een handicap.
Opmerkelijk is dat de minister aanpikt bij de hedendaagse manier waarbij erkend
wordt dat omgevingsfactoren een niet te onderschatten rol spelen in het creëren
van een handicap. Een onvoldoende aangepaste leefomgeving veroorzaakt discriminatie.
Van dromen naar de werkelijkheid
De minister wil gelijke kansen waarmaken inzake onderwijs, werk, huisvesting, zorg, culturele en maatschappelijke ontplooiing. Binnen elk van deze domeinen moet er aandacht zijn voor gelijke kansen. Hoe ze dat wil realiseren verduidelijkt de minister in haar toelichting over het coördinatiebeleid. Op elk beleidsdomein moeten er gelijkekansendoelstellingen komen. Deze doelstellingen worden vertaald in realistische en tegelijk ambitieuze ijkpunten die men wil bereiken. Via goede praktijken kunnen beleidsmakers van elkaar leren. Om te kunnen evalueren of de doelstellingen ook gehaald worden zijn kwantificeerbare indicatoren noodzakelijk. Dit is een soort stok achter de deur die ervoor moet zorgen dat geen enkele minister het bij loze beloftes houdt.
Elke minister in de Vlaamse Regering moet dus haar/zijn verantwoordelijkheid opnemen voor gelijke kansen. Het is de Vlaamse minister van Gelijke Kansen die hen daarin ondersteunt en stimuleert. Er zal een stand van zaken worden opgesteld van de (on)gelijke kansen op de verschillende bevoegdheidsdomeinen. Alle ministers zullen gebruik kunnen maken van de kennis en expertise die nu al aanwezig is in het gelijkekansenbeleid. Voor de meetindicatoren kan er beroep gedaan worden op het Steunpunt Gelijkekansenbeleid. Via overlegstructuren moet het tot een betere samenwerking tussen de verschillende departementen komen.
De minister neemt zelf initiatief om tot gerichte mainstreaming te komen. Innoverende beleidsinitiatieven zullen in de schijnwerpers worden geplaatste en gepromoot bij collega’s in de Vlaamse Regering. Een concreet voorbeeld hier is het project Intro.
| GRIP is tevreden dat het gelijkekansenbeleid niet beperkt wordt tot één
of twee doelgroepen maar tot alle kansengroepen. Het is noodzakelijk dat
gelijke kansen voor iedereen en op alle domeinen van het leven vanuit eenzelfde
visie nagestreefd worden. Gelijke kansen voor personen met een handicap
mogen niet verengd worden tot het zorgende op vlak van welzijn.
GRIP is voorstander van een gecoördineerd gelijkekansenbeleid waarvan op elk beleidsdomein werk gemaakt wordt. Het gevaar is echter dat sommige ministers dit niet au serieus zullen nemen of dat er te weinig ondersteuning is om hier binnen elk departement écht werk van te maken. Dit vraagt:
|
Sensibilisatie
De minister wil een maatschappelijk debat over gelijke kansen op gang brengen. Doel is het maatschappelijk draagvlak voor een gelijkekansenbeleid groter maken. Rolmodellen en woordvoerders van individuen die vaak niet aan bod komen zullen in dit debat een belangrijke rol spelen. Zij zullen naar voor geschoven worden. De gelijkekansendoelstellingen zijn concrete uitgangspunten voor dit maatschappelijk debat.
| GRIP wil de mogelijke rol van beeldvormingcampagnes toch
meer benadrukken. Deze kunnen een grote groep mensen gevoelig maken voor
de problematiek van kansengroepen en kunnen zeker ook het maatschappelijke
debat stimuleren. Samen met rolmodellen en woordvoerders zijn ook persoonlijke ervaringen belangrijk. Ontmoetingen met mensen die tot een kansengroep behoren, kunnen zeer leerrijk en confronterend werken. |
Participatie
Actieve participatie is een belangrijke sleutel tot gelijke kansen. Het is
een goede zaak dat hier aandacht voor is. De minister maakte dit zelf al waar
door bij het schrijven van deze beleidsnota het middenveld
te betrekken. Vertegenwoordigers van gebruikersverenigingen van mensen met een
handicap werden eind september op het kabinet uitgenodigd voor een overleg.
Met het budget voor het gelijke kansenbeleid worden een aantal organisaties
die werken aan een effectief gelijkekansenbeleid gesubsidieerd. GRIP is daar
één van. De minister wil deze organisaties evalueren en zoeken
naar perspectieven op lange termijn.
Naast de participatie via verenigingen van het middenveld is er ook de participatie van individuen met een handicap aan de politiek. Het beleid wil ook die individuele politieke en maatschappelijke participatie bevorderen. Dit door aandacht te hebben voor de ondervertegenwoordiging en door actief uitsluitingmechanismen weg te werken. Ook bij het personeelsbeleid van de administratie en de samenstelling van adviesraden moet er aandacht zijn voor een evenwichtige aanwezigheid van aandachtsgroepen van het gelijkekansenbeleid.
In tegenstelling tot de andere Vlaamse ministers diende Frank Vandenbroucke minister van onderwijs, werk en vorming nog geen beleidsnota in voor het beleidsdomein onderwijs. Er ligt wel een discussienota op tafel.
De werkgroep Inclusief Onderwijs van GRIP had op woensdag 3 november een gesprek met de minister. Op voorhand namen we de discussienota over onderwijs onder de loep. Hieronder in enkele lijnen de voornaamste opmerkingen:
De werkgroep inclusief onderwijs kijkt met gemengde gevoelens tegen de voornemens van de nieuwe minister aan. Enerzijds is er hoop. Inclusief onderwijs is opgenomen in het regeerakkoord en zijdelings in de discussietekst. Anderzijds is er de vrees over hoé dit ingevuld zal worden en over het wanneer. Wanneer zal er voldoende ondersteuning zijn en zal dit niet teveel beperkt worden?
Nieuw financieringssysteem
Eén van de belangrijkste voorstellen van de nieuwe minister is het nieuwe financieringssysteem. De scholen zouden gefinancierd worden op basis van de leerlingenkenmerken en schoolgebonden kenmerken. Zo kan een school meer financiering krijgen voor de extra ondersteuning van kinderen met een taalachterstand, handicap of uit een gezin met kansarmoede.
| Dit is een goed voorstel. Er is echter ondersteuning
nodig op verschillende niveaus. Op het niveau van de school, van de leerkracht
én van de leerling zelf. Dat laatste mag niet vergeten worden. Over de inzetbaarheid van het PAB zouden de ministers van Welzijn en van Onderwijs dringend moeten samen zitten. Opnieuw vraagt GRIP een uitbreiding van het PAB. |
Andere mogelijke aanknopingspunten in de discussienota zijn het engagement om praktijkervaringen zwaarder te laten doorwegen in de lerarenopleiding, meer onderwijs op maat te bieden, ervaringen en elders verworven competenties meer te laten mee tellen en om werk te maken van curriculumdifferentiatie. De werkgroep Inclusief Onderwijs van GRIP stelde alvast haar beleidsvoorstel voor aan de minister en zijn medewerker. We proberen ook nog een antwoord te formuleren op vragen die we mee naar huis kregen. En we wachten de beleidsnota af.
BELEIDSNOTA RUIMTELIJKE ORDENING
De Beleidsnota van de Vlaamse Minister van Ruimtelijke Ordening is direct relevant voor wat betreft de (on)toegankelijkheid van onze samenleving voor iedereen die tijdelijk of permanent worstelt met een verminderde mobiliteit.
In het Vlaamse Regeerakkoord stelt men regelmatig een ‘toegankelijke’ kinderopvang, een ‘toegankelijke’ zorg, een ‘toegankelijke’ overheidsadministratie, enz. voorop. Het is dan niet duidelijk in hoeverre met deze doelstelling ook de toegankelijkheid van deze dienstverlening wordt bedoeld op vlak van bereikbaarheid, verstaanbaarheid, bruikbaarheid,… voor mensen met een handicap. De Vlaamse Regering neemt zich voor in de regeling inzake ruimtelijke ordening en sociale huisvesting het experimenteren met en investeren in eigentijds woonvormen en vernieuwde sociale huisvesting mogelijk te maken, wat natuurlijk interessant is wanneer we bijvoorbeeld denken aan bestaande woonvormen zoals zelfstandig (Fokus) wonen. Duidelijker is het voornemen dat ‘Nieuwe overheidsgebouwen steeds toegankelijk moeten zijn voor personen met een handicap’.
We trappen een open deur in wanneer we stellen dat onze publieke omgeving en transport verre van toegankelijk zijn. Lange tijd werd heil verwacht van de wet van 17 juli 1975 (uitvoeringsbesluit 9 mei 1977) ‘betreffende de toegang van gehandicapten tot gebouwen toegankelijk voor het publiek’. Deze wet kende amper toepassing, en is intussen alweer verouderd.
In 2003 werd door het Vlaams Steunpunt Toegankelijkheid, in samenwerking met verschillende partners uit het middenveld, aan de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening, Van Mechelen, een stevig uitgewerkt voorstel overgemaakt tot actualisering van de toegankelijkheidswetgeving. De van overheidswege gesubsidieerde gebouwen maakten er deel van uit. Het voorstel ondervond helaas vertraging in de uitvoering. Deze vertraging werd door de minister betreurd in zijn antwoord op een parlementaire vraag in november 2003 [Bekijk PDF] [Bekijk tekst]. Hij bleef echter optimistisch: uiterlijk in het voorjaar van 2004 zou er werk van worden gemaakt.
De eerste stap werd inderdaad gezet. Het Toegankelijkheidsoverleg Vlaanderen (TOV) moest echter in haar Memorandum aan de formateur van de Vlaamse Regering ‘Toegankelijkheid van de publieke (openbare en niet-openbare) gebouwen en ruimten’ aandringen op de dringende uitvoering van de noodzakelijke twee volgende fasen.
We hoopten bij het doornemen van de Beleidsnota van de Vlaamse Minister van Ruimtelijke Ordening dan ook deze volgende stappen tegen te komen. We hielden in het achterhoofd dat het hierbij niet gaat om een nieuwe minister, maar dat minister Van Mechelen op post bleef en dus de kans heeft om zijn beleid verder te zetten.
Helaas vonden we geen volmondig engagement terug voor de verdere implementatie van deze nieuwe regelgeving op de toegankelijkheid. Toegankelijkheid wordt slechts af en toe aangehaald, en zeker niet in het kader van een gecoördineerde inspanning.
In de inleiding van de beleidsnota wordt herhaald dat men verder zal investeren in een transparante en toegankelijke overheidsadministratie en dienstverlening (p. 7), we denken hierbij dan aan de doelstelling in het regeerakkoord dat de nieuwe overheidsgebouwen steeds toegankelijk moeten zijn voor personen met een handicap. Interessant hierbij is dat naar het einde van deze legislatuur toe het huurcontract van een aantal gebouwen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap afloopt… hét moment om over te gaan naar toegankelijke infrastructuur.
Optimistisch wordt gesteld dat door het massale gebruik van nieuwe communicatiemiddelen zoals internet en GSM de burgers ook buiten de steden een stedelijke leefstijl kunnen aanhouden… we merken daarbij op dat door de verhoogde nadruk op e-government (zoals ook in de beleidsnota van de Minister van Bestuurszaken) en de verdere evolutie van de informatiemaatschappij een grote groep mensen met een verstandelijke beperking, ouderen, mensen zonder internet, kansarmen,… dreigt te worden uitgesloten of net verstoken raakt van overheidsdienstverlening.
De beleidsnota verwijst naar de keuze om op vlak van de ruimtelijke ordening de lokale besturen meer verantwoordelijkheid te geven. Dit biedt tegelijk kansen en aandachtspunten. Uit gevoerd onderzoek van de cel Gelijke Kansen in Vlaanderen blijkt dat in 1998 1/3e van de gemeentebesturen de wet op de Toegankelijkheid van 1975 niet kende en slechts 38% van het resterende deel ermee rekening hield voor het afleveren van vergunningen. Vele publieke gebouwen werden gebouwd nà het van kracht worden van deze wet, zonder dat er rekening mee werd houden. Het zal dan ook van belang zijn om bij actualisatie van de regelgeving rond toegankelijkheid de lokale besturen hierover te informeren en te sensibiliseren… zodat het lot van de wet op de toegankelijkheid (1975) ditmaal wordt vermeden.
Vreemd genoeg heeft de beleidsnota het geen enkele maal over mensen met verminderde mobiliteit of handicap. Terecht wordt gesteld (p. 18) dat bij het bepalen van het woonaanbod en de woonomgeving steeds meer rekening moet gehouden worden met een veranderende samenstelling van de bevolking: de ruimtelijke gevolgen van vergrijzing en gezinsverdunning. Men wil ook (p. 53) een antwoord bieden op een aantal bijzondere woonvragen, zoals permanent bewoonde weekendverblijven, aangepaste huisvesting voor ouderen, enzovoort en men zal bij voorstellen voor een nieuw woningaanbod de behoeften voor deze bijzondere doelgroepen aankaarten.
GRIP pleit ervoor dat hierbij voluit de kaart wordt getrokken van aanpasbaar en aangepast bouwen, en zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de behoeften van de bredere groep mensen met verminderde mobiliteit of zelfredzaamheid… een door vergrijzing en betere medische zorg (waardoor we gemiddeld langer leven) groeiende groep waarvan de ouderen eveneens deel uitmaken.
| Wat doet GRIP ?
GRIP onderschrijft het Memorandum van het Toegankelijkheidsoverleg Vlaanderen (zie hoger) en acht het dé sleutel voor een toegankelijke omgeving – op termijn - voor personen met een verminderde mobiliteit. We hopen dat minister Van Mechelen op zeer korte termijn ook de volgende noodzakelijke stappen van dit voorstel uitvoert. Een nieuwe regelgeving op vlak van toegankelijkheid, die een ruime verantwoordelijkheid legt bij de stedelijke ambtenaar voor stedebouw, dient vergezeld te gaan van een intensieve informatie- en sensibilisatiecampagne vooraf... en controle op de uitvoering achteraf. We pleiten ervoor dat de minister van ruimtelijke ordening de behoeften van de doelgroep mensen met verminderde mobiliteit meer expliciet aan bod laat komen in zijn volgende jaarlijkse beleidsbrief. De werkgroep Inclusief Onderwijs van GRIP schreef recent zelf een beleidsvoorstel rond toegankelijkheid van schoolinfrastructuur [Bekijk PDF] [Bekijk tekst]. |
De minister van Bestuurszaken werkt niet enkel aan een beter functionerende overheid (bvb. een eenvormig overheidsloket, minder papierrompslomp,…) maar is ook verantwoordelijk voor de gelijke kansen in de instroom en doorstroom, binnen de Vlaamse administratie, van personen met een handicap. Ook het hele stelsel van advies-en bestuursraden (en de hervormingsoperatie van de Vlaamse administratie Beter Bestuurlijk Beleid) komt onder zijn vleugels, wat van belang is voor de eventuele stem die personen met een handicap, directe vertegenwoordigers en hun organisaties krijgen in de ontwikkeling en uitvoering van het Vlaamse overheidsbeleid.
Tewerkstelling van personen met een handicap in de Vlaamse overheidsadministratie
De voor dit thema voornaamste alinea in de beleidsnota Bestuurszaken (p. 32) luidt:
“ Gelijke kansen gelden voor iedereen. De Vlaamse overheid vindt respect ongeacht geslacht, leeftijd, afkomst, seksuele voorkeur, handicap, etc. cruciaal. De Vlaamse overheid zal deze elementen verwoorden in een waardencharter. Dit charter zal een leidraad vormen voor het contact met de burgers en voor de medewerkers onderling.
De Vlaamse Regering kiest niet voor positieve discriminatie of quota. De geschiktheid van kandidaten staat voorop. De Vlaamse Regering kiest wel voor positieve randvoorwaarden die rekening houden met de reële ondervertegenwoordiging.”
Men mikt dus op de creatie van de juiste randvoorwaarden en de opmaak van een waardencharter. Op de Rondetafelconferentie van 2 december 2003 rond de tewerkstelling van personen met een handicap klonk de Vlaamse Regering echter zowel concreter als overtuigder en verbond ze zich in een Platformtekst met betrekking tot haar eigen diensten tot volgende engagementen:
De Vlaamse overheid engageert zich om uitvoering te geven aan bovenvermelde doelstellingen. Vooreerst gebeurt dit door de Vlaamse openbare sector open te stellen voor iedereen. De Vlaamse overheid heeft initiatief genomen in het wegwerken van de belemmeringen voor de statutaire betrekkingen. Via gerichte actieplannen voor kansengroepen zal de Vlaamse overheid ook een beleid op langere termijn garanderen. Verder zal de Vlaamse regering de nodige maatregelen nemen in uitvoering van het decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt. Dit zal gebeuren via het stimuleren van het diversiteitsbeleid in ondernemingen en organisaties en via het wegwerken van belemmeringen in de sectoren arbeidsbemiddeling, vorming en opleiding, beroepskeuzevoorlichting en loopbaanbegeleiding en via de verdere uitwerking van de onder punt 2 vermelde actiedomeinen. De Vlaamse overheid als werkgever
Ze zal met dat oogmerk en vanuit haar voorbeeldfunctie de nodige maatregelen nemen om:
|
Los van de beleidsnota, maar wel relevant in het kader van de tewerkstelling van personen met een handicap binnen de Vlaamse overheid, is het Positieve Actieplan (PAP) dat jaarlijks wordt opgemaakt door de Dienst Emancipatiezaken. Het voorstel van PAP 2005 ligt momenteel voor advies ter tafel binnen de Commissie Diversiteit van de SERV. De Dienst Emancipatiezaken, die verantwoordelijk is voor het gelijkekansen-beleid binnen de Vlaamse administratie, vaart binnen het logge schip van de overheid een redelijk autonome koers en neemt soms een zweepfunctie op. Dit is enkel maar mogelijk wanneer door enthousiaste mensen wordt gewerkt vanuit een stevige visie… wat zich onder meer vertolkt in een zeer divers samengesteld eigen team.
De Vlaamse Emancipatieambtenaar is bovendien geen carrière-ambtenaar (en dus gevoeliger voor de ambtelijke hiërarchie) maar een Opdrachthouder met een contract voor vijf jaar. Voor het gelijkekansen-beleid binnen de Vlaamse ambtenarij is het dan ook belangrijk te weten dat de termijn van de huidige Emancipatieambtenaar afloopt in maart 2005 en er dus heel wat afhangt van de wijze waarop deze functie opnieuw zal worden ingevuld door de Minister van Bestuurszaken.
De jaarlijkse beleidsbrieven van de Minister van Bestuurszaken zullen zijn beleidsnota concretiseren maar GRIP
|
Deelname aan beleid
In zijn beleidsnota stelt minister Bourgeois (p. 20) dat de overheid en het maatschappelijk middenveld nieuwe verantwoordelijkheden moeten opnemen, waarbij in een partnerschap het publieke belang wordt behartigd. Hij wil werken aan een ‘luisterende overheid’ en vervolgt: ‘Binnen de context van de Vlaamse beleidsvoering en de beleidsvoorbereiding moet er ruimte zijn voor wetenschappelijk onderbouwde – maar niet-bindend – advies over een beleidsaangelegenheid, op basis van een beraadslaging tussen (onafhankelijke) deskundigen. Hiermee bedoel ik in géén geval dat vertegenwoordigers van belangengroepen (het maatschappelijk middenveld) geen adviezen mogen geven. Zij worden in deze context als vakspecialisten beschouwd die een meerwaarde aan het debat en het latere advies kunnen geven’.
De advies-en overlegstelsels zijn volgens hem een absolute voorwaarde als positief antwoord op de verzuchtingen van de burger naar meer betrokkenheid, democratisering, maatschappelijk draagvlak en naar meer transparantie, openheid en kwaliteit in het overheidsoptreden.
| GRIP merkte reeds in eerdere nieuwsbrieven op dat het hierbij wel degelijk gaat om niet-bindend advies en dat de impact van deze adviesorganen nog af te wachten valt. Heel wat randvoorwaarden dienen ook voldaan te zijn vooraleer gewag kan worden gemaakt van échte participatie, en het niet blijft bij een doekje voor het bloeden. |
De doelstelling van de beleidsnota Werk van Minister Vandenbroucke is duidelijk: met méér mensen beter, anders en langer werken om beter te kunnen leven. Sleutelaspecten in de beleidsnota zijn dan ook een sluitende begeleidingsaanpak voor allen, een krachtig en coherent competentiebeleid, slagvaardige maatregelen om ouderen aan het werk te houden en om kortgeschoolden, allochtonen en personen met een arbeidshandicap aan het werk te krijgen, meer diversiteit op de werkvloer, enzovoort.
De minister trekt duidelijk de kaart van een inclusief arbeidsmarktbeleid, met waar nodig een categoriale versterking. Dit betekent dat de dienstverlening van reguliere instanties, zoals de VDAB, zich zal richten naar én toegankelijk zal zijn voor iedereen: jong of oud, autochtoon of allochtoon, met of zonder handicap. En waar nodig zullen specifieke maatregelen genomen worden om de arbeidsmarktpositie van specifieke groepen, zoals personen met een arbeidshandicap, te verbeteren. De overheveling van de werking van het departement tewerkstelling van het VFSIPH en de ATB-diensten naar het beleidsdomein “werkgelegenheid” wordt gezien als een cruciale voorwaarde voor het slagen van deze inclusieve aanpak.
Positief is ook dat de minister de kansengroepen zelf actief wil betrekken bij het arbeidsmarktbeleid o.a. via de Commissie Diversiteit van de SERV waar vertegenwoordigers van de allochtone gemeenschappen en van de personen met een arbeidshandicap in zetelen. Bovendien wordt er in de nota gesteld dat in het kader van de overheveling van het departement tewerkstelling van het VFSIPH naar het beleidsdomein “werkgelegenheid” de dialoog met vertegenwoordigers van personen met een arbeidshandicap alsook met sectororganisaties gestructureerd zal worden.
| We hadden gehoopt een aantal concrete engagementen terug te vinden zoals het opnieuw uitwerken van een persoonsgebonden budget voor kosten van bijstand voor integratie op de arbeidsmarkt, het sensibiliseren en informeren van werkgevers, mensen met een handicap en de brede maatschappij over het recht op “redelijke aanpassingen”, de uitbreiding van de Vlaamse Inschakelingspremie (VIP) naar de overheidssector, lokale besturen, het onderwijs en naar zelfstandigen. We hopen deze aspecten terug te vinden in de jaarlijkse beleidsbrieven van de minister. |
Ook de beleidsnota van de Vlaams minister voor Media, Geert Bourgeois is voor GRIP van belang. Naast onze bekommernissen op het vlak van welzijn, werk, onderwijs en gelijke kansen, blijft de beeldvorming over mensen met een handicap één van onze stokpaardjes.
De rol van de media op het vlak van beeldvorming is niet te onderschatten. Mensen die weinig of nooit in contact komen met personen met een handicap, zullen zich voor hun beeldvorming immers voornamelijk baseren op de beelden die de media hen voorschotelt. Hoewel we de laatste jaren een positieve evolutie opmerken wat betreft de beeldvorming in de media, kunnen we niet ontkennen dat hier nog aan kan gesleuteld worden. Stereotiepe beelden worden nog vaak bevestigd …
Een ander aspect is de toegankelijkheid van informatie voor mensen met een handicap. Hierbij denken we aan mensen met een auditieve, visuele of verstandelijke handicap.
We kijken eens wat de nieuwe beleidsnota media 2004-2009 ons over beeldvorming en toegankelijkheid vertelt.
Beeldvorming
Op pagina 23 van de beleidsnota lezen we: “De participatie van Vlamingen van allochtone afkomst in de media kan op 2 manieren worden ingevuld. Enerzijds is er de vraag om aanwezig te zijn in spelprogramma’s, series en het media-aanbod in het algemeen, anderzijds is er ook de vraag van deze mensen om zich beroepshalve te kunnen engageren binnen de media. Naast deze 2 vormen van participatie is ook beeldvorming een belangrijk aandachtspunt, in hoofdzaak binnen informatieve programma’s en nieuwsuitzendingen in het bijzonder. Het charter van de VRT kan hier als voorbeeld worden genomen, aangevuld met een aantal journalistieke richtlijnen die ook binnen de geschreven pers kunnen worden gehanteerd.”
GRIP betreurt het dat deze paragraaf in de beleidsnota enkel over allochtonen gaat. Ook mensen met een handicap, holebi’s, vrouwen, ouderen, … horen een plaats te krijgen in deze streefdoelen.
| Welke stappen zal GRIP zetten in medialand?
GRIP is van plan om ervoor te ijveren mensen met een handicap ook als doelgroep op te nemen in het diversiteitscharter van de VRT en ze te laten vertegenwoordigen in de Cel Diversiteit die binnen het project Diversiteit & Actie van de VRT werd opgericht. Ook het Vrouwen Overleg Komitee kondigde op de Vrouwendag van 11 november in hun eisenpakket aan dat ze dezelfde stappen zullen zetten op het vlak van vrouwen. Naar analogie met de initiatieven die binnen de Cel Diversiteit genomen worden voor allochtonen, wil GRIP ernaar streven dit open te trekken naar mensen met een handicap. In 2003 en 2004 liep er ondermeer een onderzoek naar de aanwezigheid van allochtonen op de Vlaamse televisiezenders. GRIP pleit ervoor dat dergelijk onderzoek ook gebeurt bij andere doelgroepen. Vanuit de onderzoeksresultaten kunnen dan aanbevelingen gedaan worden om de beeldvorming te verbeteren. In september 2004 kreeg GRIP de kans om het personeel van Ketnet tijdens hun profieldag een workshop aan te bieden over de beeldvorming van mensen met een handicap. Ketnet nam die dag het engagement aan om tegen het voorjaar van 2005 een programmavoorstel uit te werken waarin kinderen met een handicap een actieve rol spelen. Ketnet vroeg GRIP om hierbij hun gesprekspartner te blijven. In het verlengde van de workshop bij Ketnet, plant GRIP ook andere televisiezenders aan te spreken, warm te maken en te vormen over beeldvorming. Dit doen we steeds als evenwaardige partners die elkaar ondersteunen. Naast de beeldvorming van personen met een handicap op het scherm, is de aanwezigheid van mensen met een handicap in het personeelsbestand van televisie- en radiozenders en redacties van geschreven pers een aandachtspunt. En omdat GRIP zich tot slot niet enkel tot de audiovisuele pers wil beperken, loopt er dit academiejaar op vraag van GRIP een onderzoek in samenwerking met de Wetenschapswinkel over de berichtgeving en beeldvorming over mensen met een handicap in de Vlaamse geschreven pers. Wanneer het onderzoek afgerond is, hoor je hier beslist nog meer over. |
Expertise uitwisselen met het buitenland
In de beleidsnota media wordt melding gemaakt van “Televisie Zonder Grenzen” “De voornaamste aandachtspunten hierbij zijn: het bevorderen van de culturele diversiteit en de verspreiding van Europese producties (quota)”, zegt minister Bourgeois.
GRIP is van mening dat er op het vlak van beeldvorming in bepaalde Europese landen al heel wat expertise is opgebouwd. Er bestaan tal van initiatieven en programma’s die een positieve bijdrage leveren aan de beeldvorming. Als we televisie zonder grenzen op dit vlak open trekken, zou het zinvol zijn om ook beeldvormende programma’s uit te wisselen en beroep te doen op de knowhow die in deze landen aanwezig is. In Engeland is de BBC een zender die erg ver staat op het vlak van beeldvorming en de aanwezigheid van mensen met een handicap in hun personeelsbestand. In Italië draagt de RAI haar steentje bij aan de beeldvorming en toegankelijkheid van programma’s. Ook Duitsland heeft een aantal waardevolle initiatieven lopen. In België levert de RTBF inspanningen met haar CAP 48. |
Een bevraging van het middenveld
Alvorens te starten met de onderhandelingen voor de nieuwe beheersovereenkomst met de VRT wil de minister een brede maatschappelijke bevraging bij het middenveld (publiek) organiseren over de programma’s, de rol en de opdracht van de VRT en dit via de Vlaamse Mediaraad. De bevraging moet resulteren in een VRT-verwachtingsrapport, dat als grondstof zal dienen voor een parlementair debat en richtinggevend zal zijn voor de nieuwe beheersovereenkomst. De huidige beheersovereenkomst tussen de Vlaamse Gemeenschap en de VRT loopt tot en met 2006.
| GRIP vindt het goed dat het middenveld bij deze bevraging betrokken wordt en zal zich ook als gesprekspartner profileren. De vraag blijft natuurlijk in welke mate men op die manier de stem van de basis weet te horen. Het is volgens ons belangrijk om naast het middenveld de individuele gebruiker hierbij niet uit het oog te verliezen. |
In de bevraging “gaat de aandacht onder meer naar de culturele opdracht van de openbare omroep, naar de pluriformiteit en de kwaliteit van haar informatieopdracht in haar globale programmering, haar doelgroepenbereik (doven, gehoorgestoorden en Vlamingen van allochtone afkomst) en haar zorg voor een open, respectvol en verdraagzaam Vlaanderen.”
Dit Vlaanderen hangt volgens ons nauw samen met de beeldvorming op het scherm. Alle voorgaande zaken hebben hier betrekking op.
Toegankelijkheid van informatievoorziening
Aan de toegankelijkheid van televisieprogramma’s voor doven en slechthorenden wordt in de beleidsnota ruim de aandacht besteed. Eén van de aandachtspunten is: “Het verplicht ondertitelen van TV-programma’s en in eerste instantie bij de publieke zenders via de beheersovereenkomst. Hierbij wordt de prioriteit gegeven aan nieuws- en duidingprogramma’s.” Op termijn wil men het volledige programma-aanbod van de openbare omroep laten ondertitelen.
Verder wil minister Bourgeois ook nagaan in hoeverre de verplichtingen van de openbare omroep m.b.t. doelgroepenbereik en ondertiteling gaandeweg ook decretaal kunnen worden opgelegd aan de particuliere televisieomroepen.
| In het artikel over meer
ondertiteling op TV blijkt duidelijk dat de dovenorganisaties in Vlaanderen
opgetogen zijn met de engagementen die op het vlak van ondertiteling genomen
worden in de beleidsnota en de stappen die de laatste jaren al gezet zijn.
Toch zijn er ook een aantal kanttekeningen. Zo vinden de dovenorganisaties en GRIP het enorm belangrijk dat deze evolutie naar meer ondertiteling gebeurt volgens een duidelijk stappenplan en in overleg met de televisiezenders. Ook de belangenorganisaties en de individuele gebruikers moeten als gesprekspartners betrokken worden. Verplicht ondertitelen opleggen, heeft weliswaar ook financiële gevolgen. Het zou dan ook verkeerd zijn van de overheid indien dit decretaal wordt vastgelegd, maar hiervoor geen financiële middelen in de plaats worden gesteld. Tot slot merken de dovenorganisaties op dat de gebarentaal in heel dit discours niet uit het oog mag verloren worden. Tenslotte is dit een onderdeel van de dovencultuur en is het voor een hele groep dove mensen hun ‘moedertaal’. Jonge dove kinderen die gebruik maken van gebarentaal en nog geen ondertitels kunnen lezen, zijn ook gebaat bij gebarentaal op TV. |
In de beleidsnota heeft minister Bourgeois het nog over de digitalisering van de communicatie en “digitale inclusie”. Daarbij moeten volgens de beleidsnota ook vangnetten ingebouwd worden voor personen met een fysieke, financiële, intellectuele, mentale of sociale handicap. En dit door een parallel circuit van vertrouwde toegangskanalen tot de informatiemaatschappij te garanderen voor deze maatschappelijk kwetsbare groepen (fysiek loket, digitale tv, …).
GRIP kan dit alleen maar aanmoedigen, maar pleit er tegelijk ook voor dat naast een alternatief, vertrouwd circuit ook bij digitale informatieoverdracht rekening wordt gehouden met personen met een visuele handicap. We denken dan bijvoorbeeld aan de toegankelijkheid van websites en het blindsurflabel. In het artikel over de beleidsnota bestuurszaken vind je ook een aantal opmerkingen over e-government terug. Ook mensen met een verstandelijke handicap mogen in heel deze informatiestroom niet over het hoofd gezien worden. De cel Gelijke Kansen liet in het verleden een onderzoek uitvoeren over de toegankelijkheid van informatieve televisieprogramma’s voor mensen met een verstandelijke handicap. Hieruit kunnen zeker tips meegenomen worden. |