Inclusief onderwijs houdt in dat de ‘gewone’ school open staat voor alle leerlingen. Uitgangspunt hierbij is het geloof in de waarde van ‘diversiteit’ en het tegengaan van uitsluiting. Voor leerlingen met extra ondersteuningsnoden of een handicap houdt inclusief onderwijs in dat ze, met een eigen leertraject, aansluiten bij het gewoon onderwijs en niet doorverwezen worden naar het buitengewoon onderwijs.
In Vlaanderen wordt al enige tijd een pleidooi gehouden voor het recht op inclusief onderwijs. Onder de verenigingen die opkomen voor de rechten van personen met een handicap is daar grote eensgezindheid over. We verwijzen hiervoor naar het beleidsvoorstel De dringende realisatie van inclusief onderwijs, dat GRIP reeds in 2003 formuleerde.
Inclusief onderwijs waar maken, blijkt echter geen gemakkelijke zaak. Beleidsmatig blijft men rondjes draaien en wordt het vastleggen van een nieuw, veelbelovend leerzorgkader al maar uitgesteld. Ondertussen blijven ouders die kiezen voor inclusief onderwijs voor hun zoon of dochter met een handicap heel wat tegenkantingen ondervinden.
Met deze standpuntnota willen we focussen op het inschrijvingsrecht. Vertrekpunt zijn de vele signalen die we ontvangen rond weigeringen in het gewoon onderwijs. Het onderzoek van Marlies Dupont en de campagne die GRIP en Ouders voor Inclusie in het najaar 2010 voerden, vormen de basis voor deze standpuntnota.
Vanuit GRIP, Ouders voor Inclusie en vele andere verenigingen dringt men al 10 jaar aan op een dringende realisatie van het inclusief onderwijs.
Wat leert de geschiedenis ons ?
"Kinderen met specifieke onderwijsbehoeften kunnen terecht in een gewone school (inclusief onderwijs). Als dit niet mogelijk is, kan een school voor buitengewoon onderwijs tijdelijk of blijvend een oplossing bieden." (Beleidsnota Onderwijs en Vorming 2004 – 2009, p. 71)
Wat gebeurt nu onder minister Pascal Smet ?
Onder de titel 'omgaan met gelijke kansen en diversiteit' staat in het regeerakkoord dat elke leerling recht heeft op onderwijs en gepaste begeleiding. Daartoe wil men werk maken van het decreet Leerzorg:
'We bouwen verder aan een kwalitatief en modern buitengewoon onderwijs. Alle kinderen die het gewoon onderwijs aankunnen, moeten – net als in het buitengewoon onderwijs – ook daar kunnen rekenen op voldoende en kosteloze zorg. Om dit aanbod structureel te verbeteren, is er een decreet Leerzorg nodig dat geleidelijk geïmplementeerd wordt op basis van een breed maatschappelijk draagvlak, ook in het onderwijs'. (Vlaams regeerakkoord 15 juli 2009, p. 27)
Er wordt verder gewerkt op basis van het voorontwerp van november 2008, om een decreet uit te werken dat kan rekenen op een voldoende draagvlak.
Maar de situatie is gewijzigd door:
Pas tegen de zomer 2010 heeft men de gesprekken rond leerzorg hervat. Meteen kreeg men weer af te rekenen met heel wat weerstanden vanuit de vakbonden en de onderwijskoepels. Er is toen afgesproken om gefaseerd tewerk te gaan, eerst een basisdecreet dat het kader vast legt en dan aanbouwdecreten die verdere uitvoering moet regelen.
Om dit verder uit te werken en ook meteen het draagvlak in te schatten, wordt gewerkt met resonantiegroepen.
Bij de opstart van de resonantiegroepen, haalde men aan naar een politiek akkoord in januari te streven. Dit zou dan de basis vormen voor een 'basisdecreet', waarin het leerzorgkader wordt vastgelegd, met inbegrip van de inschalingscriteria. Ondertussen krijgen we het signaal dat de resonantiegroepen doorwerken tot maart of april en dat dan pas naar de Vlaamse regering zal gestapt worden. Tegen juni 2011 misschien een nieuw voorstel tot decreet ?
Dus: in plaats van een globale aanpak, een gefaseerde aanpak stap per stap... en ook weeral uitstel. Daarna moet dit voorstel verder afgetoetst worden, duurt het nog een jaar voor het zou kunnen goedgekeurd worden (voorjaar 2012). In de beleidsnota van minister Pascal Smet stond nochtans tegen eind 2010 een basisdecreet leerzorg ingeschreven in de regelgevingsagenda.
Onze inschatting is dat het decreet leerzorg ten vroegste een vertaling naar de onderwijspraktijk kan beginnen kennen vanaf het schooljaar 2013-2014. Ouders en verenigingen van personen met een handicap vroegen in 2003 een 'dringende realisatie van inclusief onderwijs' ... het beleid heeft 10 jaar nodig om een eerste stap vooruit te zetten.
Voor het inschrijvingsrecht in Vlaanderen is vooral het GOK Decreet (GOK I en GOK II) van belang.
Artikel III.10 gaat specifiek in op het recht van inschrijven van kinderen die georiënteerd zijn naar een type van buitengewoon onderwijs (behalve type 8). Deze leerlingen worden ingeschreven onder de ontbindende voorwaarde van de vaststelling van onvoldoende draagkracht in de school om tegemoet te komen aan hun noden op vlak van onderwijs, therapie en verzorging (Hfst. III.10, § 2).
De school dient na de inschrijving een afweging te maken van hun draagkracht en dient hierbij minimum rekening te houden met volgende vijf elementen:
Wanneer een inrichtende macht na een grondige afweging van voorgaande elementen beslist dat de draagkracht van de school onvoldoende groot is om de leerling met een beperking op te vangen, dan
dient zij deze beslissing via een aangetekende brief binnen de 4 kalenderdagen na de afweging mee te delen aan de ouders van de leerling en de voorzitter van het plaatselijke Lokaal Overlegplatform (LOP).
Bij onenigheid tussen ouders en scholen kan het LOP bemiddelend tussen beide komen. Wanneer men niet tot een gedragen oplossing komt, kan gevraagd worden aan de Commissie inzake leerlingenrechten om een eindoordeel uit te spreken.
In 2009 voerde studente orthopedagogiek Marlies Dupont, in samenwerking met Ouders voor Inclusie, een onderzoek naar de barrières die ouders ondervinden wanneer ze hun kind willen inschrijven in het inclusief onderwijs. Het onderzoek brengt de barrières in kaart die ouders ondervinden bij de zoektocht naar een geschikte school voor een kind met een beperking.
Centraal in het onderzoek van Marlies Dupont staat de vraag welke barrières ouders ondervinden bij de zoektocht naar een geschikte school voor hun kind met een beperking.
Deze vraag werd geoperationaliseerd via twee wegen. Enerzijds werd aan 442 ouders gevraagd een korte schriftelijke vragenlijst in te vullen, 76 ouders vulden deze vragenlijst in. Op basis van deze antwoorden en vastgelegde selectiecriteria werden er 27 ouders weerhouden, waarbij we een uitgebreide vragenlijst afnamen. Later werd onze doelgroep vernauwd tot 17 ouders, goed voor een contactopname met 88 scholen. Het verhaal van deze ouders vindt u ook terug in de resultaatsverwerking. In de vragenlijst werden vier domeinen verkend:
Anderzijds werd ter illustratie van bovenstaande gegevens de onderzoeksvraag ook bevraagd via een uitgebreid kwalitatief interview met 1 ouder.
Een eerste belangrijke overkoepelende conclusie is dat ondanks het ruime wettelijke kader de ouders nog tal van barrières ondervinden bij de zoektocht naar en inschrijving in een reguliere school voor hun zoon/dochter met een beperking (bvb. verschillende leerlingen met een beperking werden resoluut geweigerd, zonder een draagkrachtafweging te maken of zonder dat de bevoegde persoon zelfs nog maar geluisterd had naar hun verhaal). Er is met andere woorden een kloof tussen de structuur en cultuur van inclusie en de realiteit of de dagdagelijkse praktijk. Een concrete illustratie van de subjectieve benadering van het inschrijvingsrecht, zien we bij de moeilijkheden die ouders ondervinden om hun kind in te schrijven bij de overgang van de ene school naar de andere (kleuter naar lager, lager naar secundair) of de overgang naar een volgende graad binnen de secundaire school. Het Decreet Gelijke Onderwijskansen garandeert het recht op inschrijven in een school naar keuze, doch worden er nog steeds kinderen uitgesloten in de door hen gekozen school. Dit duidt erop dat het inschrijvingsrecht zich in het spanningsveld bevindt tussen het recht op inclusief onderwijs en de autonomie van de school om leerlingen in te schrijven/te weigeren. Als men wil dat ieder kind, ook een kind met een beperking, beroep kan doen op het inschrijvingsrecht, zal in de implementatie van dit recht op inschrijving verder geïnvesteerd moeten worden.
Een tweede overkoepelende conclusie is dat ouders weinig of niet ondersteund worden. Noch bij hun zoektocht naar een school, noch bij de verschillende stappen die ze ondernemen in communicatie met de school zelf.
Naast de twee aangehaalde algemene conclusies, kunnen we uit dit onderzoek ook een aantal specifieke conclusies trekken:
De motivering van de ouders voor hun schoolkeuze voor hun zoon/dochter met een beperking zijn quasi gelijklopend met deze die de ouders van andere kinderen aangeven. Ouders kiezen een school omwille van de nabijheid en het pedagogisch project.
De eerste contactopname met een eerste school vond al vroeg op het schooljaar (in het eerste of tweede trimester) plaats. De uiteindelijke beslissing omtrent het al dan niet inschrijven van hun zoon/dochter kregen de ouders echter pas veel later. Dit leidde ertoe dat vele ouders op het eind van het derde trimester of in de grote vakantie nog vlug op zoek moesten naar een nieuwe school. Dit is deels te wijten aan het feit dat de officiële inschrijvingsperiode in een school pas in het derde trimester valt (met uitzondering van enkele gevallen, zoals de voorrangsregeling voor broers en zussen).
Bij iets meer dan de helft van de negatieve beslissingen werd het argument draagkracht aangehaald als reden (met of zonder extra uitleg). De meest aangehaalde argumenten van de scholen hiervoor zijn het onvermogen om de extra zorg en ondersteuning voor deze leerling op te nemen en het feit dat de leerkrachten deze taak niet zien zitten. Bovendien werden de ouders bij het merendeel van de gecontacteerde scholen niet betrokken bij de draagkrachtafweging; er werd niet gevraagd naar de mogelijkheden en beperkingen van het kind, de school peilde niet naar de ondersteuningsbehoeften noch naar de beschikbare ondersteuning van het kind, er werd niet gevraagd naar de verwachtingen van de ouders, et cetera.
De overgrote meerderheid van de ouders ontving geen papieren document van deze negatieve beslissing. Dit leidt tot heel wat 'weigeringen onder de tafel'. Aangezien de scholen officieel niet weigeren, wordt het Lokaal Overlegplatform (LOP) niet op de hoogte gebracht en worden de ouders bijgevolg ook niet geholpen bij hun zoektocht naar een andere school. Verder zorgt het gebrek aan een officieel document ervoor dat ouders weinig materiële bewijzen in handen hebben wanneer ze verdere stappen willen ondernemen ten aanzien van deze negatieve beslissing van de school.
Als we peilen naar de kennis van de ouders met betrekking tot de twee instanties, het LOP en de Commissie inzake Leerlingenrechten, dan zien we dat een kleine meerderheid van de ouders het LOP kent. Slechts enkele ouders kennen de Commissie en de werking hiervan. Een georganiseerde verdeling van informatie inzake het bestaan en de werking van deze organen, via de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB's) of de scholen, zou de ouders zeker ten goede komen.
Ten slotte zagen we dat de zoektocht naar een geschikte school een enorme emotionele impact teweegbrengt, zowel op de ouders als op de andere gezinsleden.
Op 13 december 2006 nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties het verdrag inzake de rechten van personen met een handicap aan. Na ratificatie van het VN-Verdrag op 2 juli 2009, is men thans in België op alle niveaus bezig met de implementatie van dit verdrag.
In artikel 24, dat handelt over onderwijs, stelt het VN-Verdrag dat de lidstaten een inclusief onderwijssysteem op alle onderwijsniveaus en het levenslang leren waarborgen (art. 24.1).
Er staat concreet ook dat staten die het verdrag aannemen moeten waarborgen dat:
Om de impact van het VN-Verdrag voor de Rechten van Personen met een Handicap in te schatten, vroeg het Departement onderwijs en vorming advies aan het Steunpunt Recht en Onderwijs (zie ook samenvatting).
In het advies stelt het Steunpunt heel duidelijk dat, op basis van het artikel 24 van het VN-Verdrag, het recht op onderwijs voor leerlingen met een handicap principieel inclusief van aard is. De inclusievisie wordt verder benadrukt door te stellen dat inclusief onderwijs veronderstelt dat niet zozeer de persoon met een handicap zich aanpast aan de omgeving, maar dat de omgeving meer geschikt wordt gemaakt voor de persoon met een handicap. Daarvoor verwijst men ook naar artikel 2 van het Verdrag waar 'universeel ontwerp' aan bod komt en de toepassing van 'redelijke aanpassing' wordt voorzien.
Er kan dus geen twijfel meer bestaan dat inclusief onderwijs wel degelijk een 'recht' behoort te zijn voor leerlingen met een handicap.
Het kan maar zo duidelijk zijn: inclusief onderwijs weigeren is discriminatie! Daar zou geen enkele overheid, geen enkele leerkracht, geen enkele school nog onderuit mogen kunnen.
GRIP en Ouders voor Inclusie ijveren voor de implementatie van inclusief onderwijs volgens het VN-Verdrag artikel 24. We stellen vast dat ouders en leerlingen met een handicap in Vlaanderen nog altijd afhankelijk zijn van de goodwill van de scholen en dat ze aldus geen recht hebben op inschrijving in het gewoon onderwijs.
De Vlaamse regering beschouwde nochtans reeds in de beleidsnota 1999-2004 het inschrijvingsrecht als 'een fundamenteel en in beginsel onvoorwaardelijk recht, dat in alle onderwijsinstellingen zal worden gewaarborgd' en dat allochtone kinderen, maar ook kansarme autochtone kinderen een gewaarborgd recht op toegang tot alle scholen biedt.
Terwijl anderstalige leerlingen niet geweigerd kunnen worden tenzij de school reeds een bepaald percentage anderstalige leerlingen telt, kan een leerling met een chronische ziekte of een kind met een handicap (met uitzondering van type 8 in het BuO) in de praktijk nog steeds geweigerd worden door een school "wanneer de draagkracht van de school onvoldoende is om tegemoet te komen aan de specifieke noden van de leerling inzake onderwijs, therapie en verzorging" (GOK I, artikel III.10 •2).
Deze draagkrachtafweging gebeurt echter weinig systematisch en objectief, zodat het inschrijvingsrecht in Vlaanderen voor leerlingen met een handicap heel zwak staat.
Om het inschrijvingsrecht voor leerlingen met een handicap in orde te brengen, vraagt GRIP de overheid en het onderwijsveld om werk te maken van de volgende punten.
Het recht op inschrijving moet sterker verzekerd worden dan de mogelijkheid om te weigeren. Nu is dit omgekeerd. Daarom is een stevig en ondubbelzinnig inschrijvingsrecht nodig.
We pleiten ervoor om de draagkrachtafweging, zoals thans opgenomen in het GOK decreet onder artikel III,10 aan te passen of beter nog te schrappen.
De draagkrachtafweging gebeurt aan de hand van "een inschatting van het regulier aanwezige draagvalk in de school inzake zorg. Het schoolteam concretiseert de mogelijkheden waarover ze beschikt om tegemoet te komen aan de noden van betreffende leerling" (GOK I, artikel III.10 •3, 2°) . Samen met het steunpunt recht en onderwijs wijzen wij erop dat dit niet in overeenstemming is met het VN-Verdrag.
De afweging zou enkel mogen gebeuren op basis van het criterium van redelijke aanpassingen die niet disproportioneel zijn. Weigering kan in dit licht alleen wanneer de aanpassingen die noodzakelijk zijn, disproportioneel zouden zijn.
We verwijzen hierbij naar het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsdecreet van 10 juli 2008. Dit decreet is ook van toepassing op het onderwijs (art. 20, eerste lid, 5°) en voorziet voor personen met een handicap de mogelijkheid om redelijke aanpassingen aan te vragen. Het decreet geeft ook duidelijk weer dat een weigering om redelijke aanpassingen te treffen die geen 'onredelijke belasting' betekenen, neerkomt op een discriminatie van een persoon met een handicap (art. 15,6° en 19). Tevens is er een federaal protocol (20 september 2007) goedgekeurd over afwegingen van (dis)proportionaliteit/redelijkheid van aanpassingen. Het komt er met andere worden op neer om het GOK decreet aan te passen aan het Vlaamse gelijkekansen- en behandelingsdecreet.
Bovendien stellen wij in vraag of die afweging louter toekomt aan de school (of de toelatingsklassenraad). Het lijkt ons aangewezen dat er een meer onafhankelijke toetsing gebeurt. In dit kader pleiten wij er ook voor om de werking van de Commissie inzake Leerlingenrechten te herzien.
Verder willen wij pleiten om voorzichtig te zijn met beoordelingen zoals 'in het belang van het kind', 'zinvol curriculum' en 'actieve participatie'. Al te vaak sluipen hier subjectieve beoordelingen in, die de verantwoordelijkheid en keuze van ouders en leerlingen ondermijnen. Hier schuilt het gevaar dat scholen en hulpverleners de rol van rechter gaan spelen. Het inschrijvingsrecht moet bovenal een versterking inhouden van de rechtspositie van ouders en leerlingen.
Het is belangrijk om te streven naar een verhoging van de kennis rond het inschrijvingsrecht bij alle betrokkenen. Dit kan ondermeer door een gerichte verspreiding van informatiebrochures.
Er is hoe dan ook nood aan de opvolging van een correctere toepassing van het inschrijvingsrecht in een school naar keuze. Zowel van het huidige inschrijvingsrecht als het toekomstige.
Er is dringend nood aan een decretale verankering van een nieuw kader voor de leerzorg, met daarin een eenduidig wettelijk kader rond inclusief onderwijs voor leerlingen met een uitgesproken handicap.
De Vlaamse overheid is al 10 jaar rondjes aan het draaien en overschrijdt hier dus de redelijke termijn om een probleem aan te pakken met nieuwe structurele en decretale maatregelen.
Het nieuwe leerzorgkader moet vooruit denken. De recente bevindingen uit de groeiende inclusiepraktijk in Vlaanderen, wetenschappelijk onderzoek en de bepalingen van het VN-Verdrag dienen de basis te vormen voor een toekomstgericht kader dat waar nodig ook durft te breken met historische verworvenheden.
De uitwerking en implementatie van het nieuwe leerzorgkader mag echter geen excuus zijn om nu al werk te maken van een steviger inschrijvingsrecht.
Wij roepen op om op korte termijn, los van het leerzorgkader, de nodige wetgevende initiatieven te nemen om het inschrijvingsrecht voor leerlingen in het inclusief onderwijs te realiseren.
Dit kan door het doorvoeren van wijzigingen in het GOK decreet, die de rechtspositie van ouders en leerlingen versterken.
Het voorzien van de nodige ondersteuning
Het inschrijvingsrecht is verbonden aan de voorziening van de nodige ondersteuning, dit op basis van 'redelijke aanpassing'. Daarom pleiten wij om de nodige ondersteuning te voorzien door:
GRIP en Ouders voor Inclusie doen de volgende aanbevelingen m.b.t. de realisering van het inschrijvingsrecht voor leerlingen met een handicap in het gewoon onderwijs: