Stand van zaken inschrijvingsrecht en redelijke aanpassing

Heeft je kind recht op inschrijving in een gewone school? Hoe zit het met redelijke aanpassingen? In deze periode van jaarovergang en inschrijving krijgt GRIP veel vragen van ouders. Daarom zetten we hier een aantal zaken op een rijtje.

 

We staan hier stil bij:

  1. Het recht op inclusief onderwijs als principe
  2. Het inschrijvingsrecht in Vlaanderen
  3. Het recht op redelijke aanpassing

1.   Het recht op inclusief onderwijs als principe.

Inclusief onderwijs houdt in dat de 'gewone' school open staat voor alle leerlingen. Uitgangspunt hierbij is het geloof in de waarde van 'diversiteit' en het tegengaan van uitsluiting. Voor leerlingen met een leerstoornissen of een handicap houdt inclusief onderwijs dus in dat ze aansluiten bij het gewoon onderwijs en niet doorverwezen worden naar het buitengewoon onderwijs.

In Vlaanderen wordt al enige tijd een pleidooi gehouden voor het recht op inclusief onderwijs. Onder de verenigingen die opkomen voor de rechten van personen met een handicap is daar grote eensgezindheid over.

Ondertussen ratificeerde België op 2 juli 2009 het VN-Verdrag voor de Rechten van Personen met een Handicap.  Zo wordt in artikel 24 van het VN-Verdrag bepaald dat, om dit recht op onderwijs zonder discriminatie en op basis van gelijke kansen te verwezenlijken, de verdragssluitende staten "een inclusief onderwijssysteem op alle niveaus" waarborgen. Daarnaast vermeldt ditzelfde artikel dat mensen met een beperking de ondersteuning moeten krijgen die zij nodig hebben om effectieve deelname aan het onderwijs mogelijk te maken.

De inclusievisie wordt verder benadrukt door te stellen dat inclusief onderwijs veronderstelt dat niet zozeer de persoon met een handicap zich aanpast aan de omgeving, maar dat de omgeving meer geschikt wordt gemaakt voor de persoon met een handicap. Daarvoor verwijst men ook naar artikel 2 van het Verdrag waar 'universeel ontwerp' aan bod komt en de toepassing van 'redelijke aanpassing' wordt voorzien.

Er kan dus geen twijfel meer bestaan dat inclusief onderwijs wel degelijk een 'recht' hoort te zijn voor leerlingen met een handicap. Het kan in feite maar zo duidelijk zijn: inclusief onderwijs weigeren is discriminatie! Daar zou geen enkele overheid, geen enkele leerkracht, geen enkele school nog onderuit mogen kunnen.

In België en specifiek ook Vlaanderen is dit evenwel nog niet goed uitgewerkt... en ook nog niet goed doorgedrongen. Bovendien blijft er verwarring tussen inclusief onderwijs en geïntegreerd onderwijs.

2.   Het inschrijvingsrecht in Vlaanderen.

Voor het inschrijvingsrecht in Vlaanderen is vooral het GOK Decreet (GOK I en GOK II) van belang. Artikel III.10 gaat specifiek in op het recht van inschrijven van kinderen die georiënteerd zijn naar een type van buitengewoon onderwijs (behalve type 8). Deze leerlingen worden ingeschreven onder de ontbindende voorwaarde van de vaststelling van onvoldoende draagkracht in de school om tegemoet te komen aan hun noden op vlak van onderwijs, therapie en verzorging (Hfst. III.10, 2).

De school dient na de inschrijving een afweging te maken van hun draagkracht en dient hierbij minimum rekening te houden met volgende vijf elementen:

  • de verwachtingen van de ouders ten aanzien van het kind en ten aanzien van de school;
  • de concrete ondersteuningsnoden van de leerlingen op het vlak van de leergebieden, sociaal functioneren, communicatie en mobiliteit;
  • een inschatting van het regulier aanwezige draagvlak in de school inzake zorg;
  • de beschikbare ondersteunende maatregelen binnen en buiten het onderwijs;
  • het intensief betrekken van de ouders bij de verschillende fasen van het overleg- en beslissingsproces. (Hfst. III.10, 3)

Wanneer een inrichtende macht na een grondige afweging van voorgaande elementen beslist dat de draagkracht van de school onvoldoende groot is om de leerling met een beperking op te vangen, dan dient zij deze beslissing via een aangetekende brief binnen de 4 kalenderdagen na de afweging mee te delen aan de ouders van de leerling en de voorzitter van het plaatselijke Lokaal Overlegplatform (LOP).

Bij onenigheid tussen ouders en scholen kan het LOP bemiddelend tussen beide komen. Wanneer men niet tot een gedragen oplossing komt, kan gevraagd worden aan de Commissie inzake leerlingenrechten om een eindoordeel uit te spreken.

3.   Recht op redelijke aanpassing.

De succesvolle deelname van personen met een handicap aan het gewoon onderwijs veronderstelt niet alleen dat ze toegelaten worden tot de gewone school, maar houdt ook in dat de gewone school zich aanpast aan de persoon met een handicap. Hier komen we op het vlak van de redelijke aanpassing.

Het feit dat een persoon een beperking ervaart, wordt gezien als het resultaat van het samenspel tussen individu en een (onaangepaste) omgeving. Opdat personen met een beperking volwaardig zouden kunnen participeren, zijn in heel wat concrete situatie zijn dan ook concrete aanpassingen nodig. Het ontbreken of weigeren van redelijke aanpassing kan bijgevolg gezien worden als een vorm van discriminatie.

In verband met redelijke aanpassingen in het onderwijs kunnen we hiervoor ten rade gaan bij het artikel 24 van het VN-Verdrag. Dit schrijft voor dat "redelijke aanpassingen worden verschaft naar gelang de behoeften van de persoon in kwestie" en dat "personen met een handicap, binnen het algemene onderwijssysteem, de ondersteuning ontvangen die zij nodig hebben om effectieve deelname aan het onderwijs mogelijk te maken". Het verdrag zelf definieert in zijn artikel 2 redelijke aanpassingen als: "noodzakelijke en passende wijzigingen, en aanpassingen die geen disproportionele of onevenredige, of onnodige last opleggen."

Het principe van redelijke aanpassing wordt in Vlaanderen hard gemaakt door het Decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid. Volgens dit decreet is er sprake van discriminatie wanneer iemand verschillend wordt behandeld op grond van een beschermd criterium zonder dat er een rechtvaardiging voor bestaat (art. 16). Ook de weigering van redelijke aanpassingen voor een persoon met beperking houdt discriminatie in (art. 15), tenzij deze maatregelen een onevenredige belasting vormen voor de persoon die ze moet treffen of deze maatregelen voldoende gecompenseerd worden door andere bestaande maatregelen (art 19). Art. 19 van het Decreet omschrijft redelijke aanpassingen als: elke concrete maatregel, van materiële of immateriële aard, die de beperkende invloed van een onaangepaste omgeving op de participatie van een persoon met een handicap neutraliseert.

Maar wat als er die redelijke aanpassing in een school ontbreekt ? Het Steunpunt Hoger Inclusief Onderwijs (nieuwsbrief SIHO april 2010 ) legde die vraag voor aan het Steunpunt Recht en Onderwijs en kreeg als antwoord:

'Bij het ontbreken van redelijke aanpassing is het aan de onderwijsinstelling om de disproportionaliteit van de gevraagde redelijke aanpassingen aan te tonen, indien de instelling een bepaalde aanpassing niet kan toelaten. De onderwijsinstelling moet actief op zoek gaan naar oplossingen en tegenvoorstellen die wel proportioneel zijn. De onderwijsinstelling kan zich bijgevolg moeilijker beroepen op een gebrek aan draagkracht om de noodzakelijke redelijke aanpassingen voor studenten met een beperking te weigeren. Weigeren kan alleen wanneer de noodzakelijke aanpassingen disproportioneel zijn (Steunpunt Recht en Onderwijs, persoonlijke mededeling, 2/04/2010).

Het blijft dus expliciet de bedoeling om actief op zoek te gaan naar oplossingen. Elke vraag tot redelijke aanpassing moet opnieuw bekeken worden en mag nooit zomaar worden geclassificeerd als 'onevenredig'.

gelijke kansen