Het belang en inhoud van het Verdrag voor de rechten van personen met een handicap

Op woensdag 13 december 2006 nam de Algemene vergadering van de Verenigde Naties het nieuwe bindende Verdrag voor gelijke rechten van personen met een handicap in consensus aan.

Wat is het nut en belang van een dergelijk Verdrag?

  1. WAAROM EEN VERDRAG VOOR DE RECHTEN VAN PERSONEN MET EEN HANDICAP?

    Op wereldniveau streefden organisaties van personen met een handicap naar een specifieke conventie over de rechten van personen met een handicap. Ze verwijzen daarbij naar de conventies van de Verenigde Naties die bestaan rond vrouwenrechten, kinderrechten, enz.
    Mensenrechten worden nu vooral gegarandeerd door algemene VN-verdragen. Personen met een handicap zijn burgers als iedereen en aangezien alle mensenrechten en fundamentele vrijheden universeel zijn gelden ze ook voor hen. In de geschiedenis van de VN zijn de rechten van personen met een handicap daarnaast al herhaaldelijk aan bod gekomen in verdragen en conventies die zich specifiek op deze doelgroep(en) richten.
    Tijdens de jaren '70 waren twee verklaringen, de Verklaring van de rechten van personen met een verstandelijke beperking (Declaration on the Rights of Mentally Retarded Persons) en de Verklaring van de rechten van personen met een handicap (Declaration on the Rights of Disabled Persons), de eerste instrumenten waarin de mensenrechten van personen met een handicap expliciet werden erkend. Hoewel deze verklaringen een belangrijke eerste stap waren in de bewustmaking van de rechten van personen met een handicap, kwam er kritiek op omdat ze gebaseerd waren op voorbijgestreefde medische en maatschappelijke modellen van een handicap.
    Eind jaren '80 legden twee nieuwe instrumenten - de beginselen voor de bescherming van geesteszieken en de verbetering van de geestelijke gezondheidszorg (Principles for the Protection of Persons With Mental Illnesses and the Improvement of Mental Health Care) en de standaardregels voor gelijke kansen voor personen met een handicap (Standard Rules on the Equalisation of Opportunities for Persons with Disabilities) - de nadruk op gelijke kansen. Al deze instrumenten waren nuttig om de rechten van personen met een handicap op zelfstandigheid en zelfbeschikking te omschrijven. Ze hebben ook geleid tot een beter begrip van de algemene mensenrechtenconventies wat de rechten van mensen met een handicap betreft.

    Deze specifieke instrumenten hebben geleid tot een beter begrip van de algemene mensenrechtenverdragen wat de rechten van mensen met een handicap betreft. Maar geen van hen is bindend voor de lidstaten van de VN. Ze zijn dus niet afdwingbaar. Landen zijn niet verplicht er gevolg aan te geven. Er is niet voorzien in toezicht op het genot van rechten van personen met een handicap in de praktijk.

    In zijn verslag "Human Rights and Disabled Persons" vermeldt de speciale rapporteur van de hoge VN-commissie voor de mensenrechten:

    In de meeste landen nemen de schendingen van de mensenrechten van personen met een handicap de vorm aan van onbewuste discriminatie, met inbegrip van het opwerpen en onderhouden van door de mens gemaakte hinderpalen die personen met een handicap verhinderen volledig te participeren in het sociale, economische en politieke leven van hun gemeenschap. De meeste regeringen hebben blijkbaar een eng concept van de mensenrechten van personen met een handicap en gaan ervan uit dat het volstaat geen maatregelen te nemen die voor die mensen negatieve gevolgen hebben. Bijgevolg worden personen met een handicap verwaarloosd wat het mensenrechtenbeleid en de mensenrechtenwetgeving betreft.

    Het gaat in het geval van mensen met een functiebeperking veel minder om de bestrijding van ongelijke behandeling in een gelijke situatie (vb. twee sollicitanten scoren even goed maar de persoon met de handicap wordt om die reden geweigerd) maar om de nadelen van de GELIJKE behandeling in een ONGELIJKE situatie.
    Mensen met een handicap hebben om ‘evenwaardig te kunnen participeren’ aan alle domeinen van het leven nood aan voldoende ondersteuning (vb. assistentie en hulpmiddelen), redelijke aanpassingen (vb. een toegankelijke omgeving, aangepast openbaar vervoer, flexibele werkuren) en aan de juiste ingesteldheid (in plaats van vooroordelen, betuttelende mentaliteit). Wanneer het hier aan ontbreekt (en dat is nog heel veel het geval, denk alleen al aan de ontoegankelijkheid van onze openbare weg en gebouwen) hebben ze wel het formele ‘recht’ maar zeker geen gelijke kansen.

    Wat ook als een knelpunt wordt ervaren is het gebrek aan zichtbaarheid en herkenbaarheid van mensen met een handicap. Heel wat beperkingen zijn niet op het eerste zicht herkenbaar. Wat de ene persoon als een beperking aanvaardt is ook verschillend aan de andere en niet iedereen wil zich bijvoorbeeld profileren als een persoon met een functiebeperking….

    Op een hoger niveau is er het overheidsbeleid dat voor mensen met een handicap nog steeds een verzorgende in plaats van een inclusieve invalshoek heeft. Er zijn er wel veel cijfers op vlak van welzijns -en categoriaal beleid (vb. gebruik van hulpmiddelen, beroep doen op zorginstellingen, leerlingencijfers in het buitengewoon onderwijs, aantal werknemers van beschutte werkplaatsen) maar amper gegevens over de participatie van personen met een handicap aan de reguliere samenleving. Gelijke kansen en sociale inclusie kunnen dus amper worden gemeten… waardoor een ganse bevolkingsgroep onzichtbaar wordt.

    Een laatste argument is het gevaar voor verdringing. Een aandachtspunt bij het streven naar inclusief beleid, waarbij overheidsbeleid op alle domeinen automatisch rekening houdt met de noden en situatie van kansengroepen, is dat het overzichtsplaatje daardoor grijzer wordt. Er blijven immers specifieke verschillen tussen verschillende kansengroepen en redenen voor achterstelling. Die zijn bijvoorbeeld volledig anders tussen allochtonen en personen met een handicap. De oplossingen zijn dus ook in grote mate anders. Er is bovendien het gevaar dat we gaan veralgemenen. We kunnen het slechts beperkt hebben over ‘de persoon met een handicap’… want deze kansengroep zelf is al zo verscheiden.

    Het was daarom dat de Mexicaanse regering in december 2001 in de Verenigde Naties opriep om een conventie over de mensenrechten van personen met een handicap te overwegen en onmiddellijk een ad hoc comité in te stellen. Dat orgaan zou dan voorstellen overwegen voor een allesomvattende en integrale internationale conventie ter bescherming en bevordering van de rechten en de waardigheid van personen met een handicap. Men vond de politieke wil hiervoor en het ‘Ad Hoc Committee on a Comprehensive and Integral International Convention on the Protection and Promotion of the Rights and Dignity of Persons with Disabilities’ kon aan de slag.

    Ondertussen is er jarenlang werk geleverd. Er hadden al verschillende werksessie binnen de VN plaats in welke de Verenigde Naties, haar lidstaten, organisaties van mensen met een handicap, de Europese Commissie, enzovoort artikel per artikel bediscussieerden en bijschaafden. Op 5 december vergaderde de ad hoc commissie binnen de VN voor de laatste keer en legde haar resultaten voor aan de Algemene Vergadering van de VN.

    De Algemene Vergadering van 192 lidstaten keurde op 13 december 2006 het Verdrag in consensus goed.

    Waarom is dit Verdrag zo belangrijk? Heeft ze ook gevolgen voor Vlaanderen?

    Het gaat hierbij ditmaal wél om een bindende en afdwingbare conventie. De verschillende lidstaten zullen verplicht zijn de nodige stappen te zetten om ze uit te voeren.

    Voorbeelden van concrete gevolgen van een dergelijk Verdrag vinden we bij de Wereldvrouwenconferentie van de Verenigde Naties in Beijing, en de Kinderrechtenconventie. Jaarlijks dient door Vlaanderen over de situatie van kinder-en vrouwenrechten te worden gerapporteerd aan de Verenigde Naties. In uitvoering van deze Verdragen kwam het in 1995 tot een Emancipatie-Effecten-Rapport (EER) en in 1997 tot een Kind-Effecten-Rapport (KER). Het voorbeeld van het Armoederapport tenslotte, en het gecoördineerde beleid over verschillende bevoegdheden heen ter bestrijding van kansarmoede, zijn goede praktijken en voorbeelden van hoe inclusief beleid voor personen met een handicap ook vorm kan en moet krijgen.

  2. INHOUD EN BELANG VAN HET VERDRAG

    Na 5 jaar werken en nog heel wat stevige onderhandelingen op het laatste moment stemde de Algemene Vergadering van de VN in consensus voor het resultaat. De volledige naam van de conventie is 'Comprehensive and Integral International Convention on the Protection and Promotion of the Rights and Dignity of Persons with Disabilities'. Dit betekent een mijlpaal voor de mensenrechten van personen met een handicap. Dit is een bevolkingsgroep van 15 à 20% van onze bevolking, op wereldvlak 650 miljoen mensen. Het is ook het eerste mensenrechtenverdrag van de 21e eeuw. Het vorige (rond kinderrechten) dateert van 1989.

    Mensen met een handicap kunnen al genieten van de bescherming die algemene mensenrechtenverdragen bieden (vb. de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens). Er zijn ernaast in het verleden ook specifieke Verklaringen gemaakt, bijvoorbeeld over mensen met autisme, de Resolutie van 1971 m.b.t. de rechten van personen met een verstandelijke handicap, enz. Sinds 1994 worden een aantal belangrijke vrijheden en principes opgesomd in de VN-standaardregels betreffende gelijke kansen voor personen met een handicap.

    Maar er bleef nood aan een specifieke en afdwingbare Conventie over de rechten van personen met een handicap. Een dergelijk Verdrag moet immers door de VN-lidstaten die de Conventie aannemen ('ratificeren') worden omgezet in de eigen wetgeving. Deze lidstaten moeten rapporteren over de stand van zaken van de mensenrechten in hun land en hun burgers kunnen er zich eventueel op beroepen om hun rechten af te dwingen.

    Na de goedkeuring van de Algemene Vergadering van de VN moeten de lidstaten van de VN vanaf 30 maart 2007 het beginnen ratificeren. Nadat 20 landen dat hebben gedaan gaat de Conventie in voege.

    'Ratificatie' betekent in het geval van België dat het federale parlement, maar ook dat van de deelstaten, het Verdrag moeten goedkeuren en er zich toe verbinden ze na te leven. Dit ganse proces nam in België meer dan twee jaar in beslag. Maar op 2 juli 2009 ratificeerde België als het 59ste land het VN-verdrag voor de gelijke rechten voor personen met een handicap.

    Landen die het Verdrag niet ratificeren worden er natuurlijk ook niet door gebonden. De Verenigde Staten houden zich bijvoorbeeld aan hun eigen verregaande 'Americans with Disabilities Act'.

    Wat is er nu zo speciaal aan deze tekst?

    1. Voor de eerste maal, en in tegenstelling tot de VN-Standaardregels, is dit document niet meer vrijblijvend. Het is afdwingbaar, moet worden ingevoerd in nationale wetgeving en zal worden gecontroleerd.

      De lidstaten zullen regelmatig moeten rapporteren aan de Verenigde Naties over de voortgang met betrekking tot de invoering van het Verdrag. Individuen en organisaties kunnen tegen een lidstaat ook klacht neerleggen bij een internationaal Comité voor de rechten van personen met een handicap. Dat Comité zal dan aan de lidstaat uitleg vragen, eventueel zelfs een plaatsbezoek doen, enz.

    2. Net zoals al het geval was bij de Standaardregels spreekt er uit dit Verdrag een vernieuwende geest. De weliswaar belangrijke aandachtspunten van bescherming en verzorging van personen met een handicap uit vroegere tijden verliezen aan waarde. Het accent komt nu te liggen op het feit dat personen met een handicap in de eerste plaats mensen zijn. Mensen met kansen, rechten, mogelijkheden,. Hun gelijkwaardig participeren aan de samenleving en genieten van kwaliteit van leven kan (pas) wanneer drempels worden weggewerkt, de juiste mentaliteit heerst en er wordt voorzien in voldoende ondersteuning en redelijke aanpassingen.

      De rechten van vrouwen en kinderen met een handicap worden specifiek aangehaald.

    3. De evenwaardige en intensieve betrokkenheid van (internationale) organisaties van personen met een handicap aan het totstandkomen en de inhoud van deze Conventie. Lidstaten, diplomaten en ambtenaren stoffeerden zich met de ervaring en know-how van gebruikers voor hun werkzaamheden.

    4. De verfrissende geest - waarvan we enkel kunnen hopen dat deze een voorbeeld zal zijn voor onze nationale en Vlaamse regelgeving en beleid - uit zich in allerlei nieuwe principes en uitgangspunten als:

      1. De deelname aan een inclusieve 'gewone' samenleving en niet binnen een aparte wereld of circuit.
      2. Zelfstandig leven, binnen de gemeenschap.
      3. De keuze in zorg en de al dan niet opname in een instelling.
      4. Het voorzien in ondersteuning zodat men zelf (juridische bindende) beslissingen kan nemen.
      5. Het recht op leven.
      6. Het principe van redelijke aanpassing, toegang tot (inclusief/gewoon!) onderwijs en werk.
      7. Het recht op privacy (vb. binnen een instelling), het verbod van onmenselijke of vernederende behandeling (vb. het nutteloos en eindeloos drogeren van patiënten).
      8. Toegankelijkheid (in de brede zin, uitgaande van universal design!) en persoonlijke mobiliteit.
      9. De betrokkenheid van personen met een handicap en hun organisaties in de beleidsontwikkeling.
      10. Gebruik van peer support, persoonlijke assistentie, enz.