Het persoonsgebonden budget in Duitsland

Vanaf september 2008 startten 200 mensen met een handicap in Vlaanderen met een PGB of persoonsgebonden budget. In Duitsland bestaat al iets dergelijks. Esther Sommer vroeg voor GRIP Duitse mensen met een handicap en hun belangenverenigingen naar hun standpunten. In dit artikel beschrijven we kort de historiek, uitwerking en mogelijkheden van het persoonsgebonden budget in Duitsland. We staan ook stil bij de conclusies van de onderzoekers die het Duitse PGB onder de loep namen. Daarna laten we de gebruikers van dit persoonsgebonden budget aan het woord. We besluiten met lessen die we kunnen trekken voor het experiment in Vlaanderen.

Nota i.v.m. begrippen: "dienstverleners" zijn de instanties die optreden als intermediairen tussen de gebruikers en de dienstaanbieders. De eigenlijke ondersteunings- en zorgdiensten worden geleverd door de "dienstaanbieders" (bijv. dagcentra, woonvoorzieningen, werkplaatsen, ambulante diensten) en door persoonlijke assistenten, mantelzorgers enz.

Historiek en uitwerking

In 2001 werd in Duitsland het Persönliches Budget of Persoonlijke Budget (PB) ingevoerd via het Sozialgesetzbuches IX. Pas vanaf 2004 ging men er – eerst in een experimentele fase - ook in de praktijk echt mee aan de slag. Het PB geeft een persoon met een handicap de mogelijkheid, diensten zelf te kiezen en zelf te bepalen, welke uitgaven zij/hij wil doen. Er zijn verschillende vormen van budgetten naargelang het beleidsdomein en bestuursniveau.

Vooral het Trägerübergreifendes Persönliches Budget (TPB) (gecombineerd budget) is een belangrijke verandering van het traditionele zorgsysteem. Het betekent dat de betrokken persoon een budgetaanvraag kan indienen voor diensten van verschillende dienstverleners.
Het TPB werd van oktober 2004 tot juni 2007 getest in acht modelregio's. De pilootfase werd begeleid door een onderzoeksgroep van de universiteiten Tübingen en Dortmund en de Pedagogische Hogeschool Ludwigsburg. Tot 31 december 2007 was een dienstverlener niet verplicht om het PB te aanvaarden. Sinds 1 januari 2008 heeft iedere persoon met een handicap recht op een PB.

Naast het PB en TPB is er ook het Pflegegeld. Dit is een vergoeding voor de informele hulp waar mensen beroep op doen. Het budget is te laag om assistentie of dienstverlening in te kopen. Het Pflegegeld kan dus niét gezien worden als een persoonsgebonden financiering van het zorgaanbod zoals voorzien in het Vlaamse PGB decreet. Het doet eerder denken aan de Vlaamse zorgverzekering of de mantelzorgpremie zoals die hier door sommige lokale besturen wordt toegekend. Als we het in dit artikel hebben over het persoonsgebonden budget in Duitsland dan gaat het niet over het Pflegegeld maar wel over het Persönliches Budget (PB) of Trägerübergreifendes Persönliches Budget (TPB).

De invoering van het persoonsgebonden budget was niet bedoeld als een verhoging van het budget voor de zorg voor personen met een handicap in Duitsland. Het is vooral een andere manier van financiering van de zorg. De betrokken persoon of haar/ zijn wettelijke vertegenwoordiger heeft wel nog steeds de keuze tussen een persoonsgebonden budget of dienstverlening in natura. De twee kunnen ook gecombineerd worden. Ongeveer 70% van de budgethouders in Duitsland krijgen naast hun persoonsgebonden budget nog andere tegemoetkomingen of ondersteuning.

Iedere persoon met een handicap of door een handicap bedreigde persoon kan een PGB krijgen. Dit recht staat los van de vorm en zwaarte van de beperkingen en is onafhankelijk van welke diensten de persoon aanvraagt.

Het persoonsgebonden budget is bedoeld om het leven van mensen met een handicap te verbeteren. Het kan gebruikt worden voor alle domeinen van het leven, dus ook voor vrijetijdsactiviteiten. Om misbruik te vermijden zijn er wel beperkingen. Zo is het bijvoorbeeld niet mogelijk om met het persoonsgebonden budget een reis te betalen (de eigen reiskosten). En de diensten worden op voorhand vastgelegd in het contract tussen de betrokken persoon en de dienstverlener. Maar intering – of het verschuiven en opsparen van het geld – is wel mogelijk. Een medewerkster van een Berlijnse zelforganisatie (BZSL) getuigt dat ze met het persoonsgebonden budget nu toch meer vrijheid heeft dan met het Persoonlijk Assistentie Budget (PAB of Arbeitsassistenz, budget waarmee je enkel zelf je assistenten te werk kunt stellen), omdat ze uitgaven in een bepaald bestek niet noodzakelijk voor de geplande dienst moet gebruiken. Als ze het ene jaar geld over heeft, kan ze het opsparen en dit het volgende jaar besteden.

Met het persoonsgebonden budget kunnen betaald worden:

  • Diensten ter ondersteuning van de integratie en participatie aan het gemeenschapsleven: assistentie op het werk, vervoer, verpleging, vrijetijdsactiviteiten, leefkosten in het kader van beschermd wonen, therapiekosten, hulpmiddelen enz.
  • Diensten van het ziekenfonds en de verpleegverzekering, maar slechts als deze bijkomend en regelmatig nodig zijn. Met het persoonsgebonden budget mogen dus geen kosten voor de huisarts betaald worden.
  • Diensten van de integratiedienst zoals vormingen en andere diensten, diensten voor de preventie van beperkingen bij jongeren en ondersteuning van kinderen met een beperking.

Een persoon met een handicap kan bij elk regionaal kantoor van de verantwoordelijke instanties (dus de dienstverleners) een aanvraag indienen. In elke regio zijn er ook speciale officiële informatiekantoren (Servicestellen) over het persoonsgebonden budget. De instantie waar de persoon het eerst een aanvraag indient is verantwoordelijk voor het dossier. Deze contacteert dan alle dienstverleners van wie de persoon diensten wil krijgen. De dienstverleners moeten binnen de twee weken een voorstel indienen, waarna een nieuwe afspraak met de persoon wordt gemaakt. Tijdens de daaropvolgende afspraak wordt samen met de betreffende dienstverleners en de budgetaanvrager een voorstel uitgewerkt en een financieringsplan opgesteld. De persoon met een handicap mag een vertrouwenspersoon naar de gesprekken meebrengen. Er wordt een contract opgesteld tussen de budgetaanvrager, de dienstverleners en soms ook de dienstaanbieders. Tenslotte krijgt de persoon het budget uitbetaald. Er volgen verschillende controles op de besteding van het geld. (budgetcontrole, belastingen enz.)
Het geld wordt in het algemeen aan het begin van de maand uitbetaald. In sommige gevallen worden er cheques gegeven. Dit gebeurt niet vaak en beperkt zich tot de Pflegesachleistung (materiële diensten van de verpleegverzekering, zoals hulpmiddelen). De cheques kunnen enkel gebruikt worden voor diensten van geregistreerde dienstaanbieders.


Eerste onderzoeksresultaten over het PGB in Duitsland.

Van oktober 2004 tot juni 2007 liep de pilootfase van het Trägerübergreifendes Persönliches Budget TPB (gecombineerd budget). Tijdens deze fase heeft een universitaire onderzoeksgroep interviews gehouden met budgethouders en met de administratie. Dit zijn enkele van de resultaten:

Aantal budgethouders 2004-2007

  • Van 2004 tot 2007 is het aantal toegestane budgetten gestegen. Tussen januari 2006 en januari 2007 is het aantal zelfs verdrievoudigd.
  • Er werden 494 budgetten toegestaan in de modelregio's en 353 buiten de modelregio's, dus in heel Duitsland zijn in totaal 847 budgetten toegestaan van 2004 tot 2007.
  • Er zijn grote verschillen per regio: in sommige regio's worden veel minder budgetten toegekend dan in andere. De onderzoekers konden hiervoor geen duidelijke reden ontdekken. Ze vermoeden echter dat het een rol speelt hoeveel ervaring de dienstverleners en de zorgaanbieders hebben met het TPB. Het lijkt erop dat de aanvragen en toekenningen stijgen naarmate aanbieders en gebruikers meer ervaring en bekendheid krijgen met het persoonsgebonden budget.
  • Ongeveer 100 budgetaanvragen werden niet toegekend. Redenen voor niet toekenning van een budgetaanvraag zijn:
    • Personen dienen een aanvraag in, maar trekken die weer terug (50%). Mogelijke reden: verandering in de levenssituatie, geen interesse, angst voor overbelasting, foute informatie.
    • De verantwoordelijke instantie (bv. het sociaal kantoor) wijst de aanvraag af.

Wie kreeg een TPB?

  • Er zijn bijna evenveel mannen (54%) als vrouwen (46%).
  • De gemiddelde leeftijd van de budgethouders is 36 jaar. Er zijn budgethouders van 2 tot 82 jaar.
  • De grootste groep onder de budgethouders zijn mensen met een psychische ziekte (42%), vervolgens personen met een mentale beperking (31%). Personen met een fysieke beperking maken slechts 19% uit. 31% van de budgethouders hebben een visuele of audiovisuele beperking, organische ziektes, aanvalziektes (bijv. epilepsie) of ontwikkelingsmoeilijkheden, of zij dreigen een beperking te ontwikkelen.
  • De meeste budgethouders wonen in een privé-woning (77%). De rest van de budgethouders woont in een ambulant beschermde woning, tehuis, tehuis voor ouderen enz.
  • Meer dan een kwart van de personen die een persoonsgebonden budget kregen zijn werkloos en een kwart werkt in Werkstätten (speciale werkplaatsen voor mensen met een handicap). Slechts 6% werkt op de gewone arbeidsmarkt of is zelfstandige.
  • Ook personen met een grote behoefte aan zorg en ondersteuning gebruiken een persoonsgebonden budget. Eén derde van de budgethouders heeft een zware of meervoudige beperking.

Hoe groot is het persoonsgebonden budget?

  • Het gemiddelde budget bedraagt 1041 € per maand in de modelregio's en 860 € in de andere regio's. De hoogte van een budget kan variëren tussen 36 € en 13.275 €, maar 80% van de budgetten zijn lager dan 1000 € per maand.
  • De hoge budgetten zijn meestal TPB, dus gecombineerde budgetten afkomstig van verschillende instanties (bijv. van het Duitse OCMW en de zorgkas samen).
  • Soms worden ook aparte, eenmalige budgetten toegestaan, bijvoorbeeld voor de aankoop van een technisch hulpmiddel voor het werk (tijdens de periode van de studie tot 27.000€).

Waarvoor gebruiken de budgethouders hun budget?

  • Meer dan een derde van de budgethouders maakte voordien al gebruik van bepaalde ondersteuningsdiensten. Met het TPB betalen ze dezelfde soorten diensten als voorheen, maar ze hebben wel de keuze aan wie ze de diensten kunnen vragen.
  • 24% van de budgethouders heeft voor de eerste keer een aanvraag voor dienstverlening ingediend.
  • Bijna alle budgetten (95%) zijn gewone budgetten (dus geen gecombineerde) voor diensten van één dienstverlener (meestal van het Sozialamt, het Duitse OCMW).
  • Slechts 5% kreeg het TPB (gecombineerd budget).
  • De meeste budgetten worden gebruikt voor sociale diensten (zoals diensten van het OCMW): ambulante integratiehulp thuis, ondersteuning voor de participatie aan het gemeenschapsleven.
  • Van andere dienstverleners doen budgethouders een beroep op de volgende diensten:
    • Verpleegverzekering: het Pflegegeld of "zorggeld" (budget om assistentie thuis te betalen, bijv. iemand uit de familie of een ambulante dienst.)
    • Agentschap voor Arbeid: assistentie op het werk
    • Bureau voor Integratie: vorming e.a.
  • Het persoonsgebonden budget wordt vooral gebruikt voor professionele diensten (bijv. van ambulante dienstverleners die thuisverpleging aanbieden). Niet-professionele hulp (bijv. door vrienden, familie, jobstudenten enz.) maakt een kleiner deel uit van wat men met het persoonsgebonden budget doet.

Hoelang duurt het eer de betrokkene een budget ontvangt?

  • Volgens een studie over het TPB duurt de gemiddelde aanvraagprocedure drie maanden. Dit valt binnen het wettelijke kader. Met een toenemend aantal budgetaanvragen is ook de duur van de procedure gedaald.
  • Er werd berekend dat een personeelslid van de verantwoordelijke instantie ongeveer 5,5 uren met een budgetaanvraag bezig is. Dit hangt echter sterk af van welke ondersteuning de persoon aanvraagt.

Meningen over het persoonsgebonden budget.

De meerderheid van budgethouders (80%) benadrukt dat het persoonsgebonden budget een positieve impact op hun leven heeft. Ze nemen meer deel aan activiteiten en aan het gemeenschapsleven dan voor het persoonsgebonden budget. Ook voelen ze zich mobieler en minder geïsoleerd. Dit hangt samen met betere levensomstandigheden (wonen, verpleging, werk, vrije tijd enz.). De meeste budgethouders zijn nu onafhankelijker van familieleden of dienstverleners en beschikken over meer controle over hun eigen leven.

Positieve geluiden

  • Paradigmenwechsel (paradigmawissel in beleid):
    De verandering voor mensen met een handicap vergelijkt Uwe Frevert met een revolutie. "Het budget biedt een grote kans om nieuwe paden in te slaan in de politiek van mensen met een handicap." Jana Kohlmetz: "Het persoonsgebonden budget is de uitdrukking van een paradigmaverandering in Duitsland."
  • Kans op verbetering van het aanbod:
    Het persoonsgebonden budget zet het volgens Jana Kohlmetz de zorgaanbieders onder druk om hun aanbod nog meer af te stemmen op de individuele persoon. Dit zorgt ervoor dat de ambulante diensten groeien, maar ook het residentiële aanbod zich verder ontwikkelt en verbetert. Het is een niet te onderschatten neveneffect van het PB dat de hele markt zich verschuift en zich klantgerichter organiseert.
  • Verandering van beleid en financieringssysteem:
    Volgens Kohlmetz en Frevert brengt het mensen weg van zorg in natura en de macht van voorzieningen, naar meer ambulante dienstverlening en regie door persoon met een handicap zelf. Voor de invoering van het persoonsgebonden budget hadden mensen met een handicap minder de mogelijkheid om hun assistentie en ondersteuning zelf te beheren. Het geld werd direct uitbetaald aan de dienstenaanbieders zoals dagcentra, woonvoorzieningen, Werkstätten, en ambulante diensten.
  • Het persoonsgebonden budget is in principe een kans voor inclusie in het onderwijs. Dankzij een persoonsgebonden budget kunnen scholieren met een beperking assistentie krijgen en in principe aan het gewone onderwijs deelnemen. In de praktijk ziet dit er soms wel heel anders uit. Uwe Frevert legt uit dat sommige administraties en scholen er niet klaar voor zijn, maar dat dit vooral te maken heeft met de structurele problemen van het Duitse onderwijssysteem in het algemeen. Het hele onderwijssysteem is aan hervorming toe. Het is allesbehalve inclusief, maar juist selectief op verschillende manieren. Van alle kinderen en jongeren met een beperking gaan er momenteel slechts 13% naar het gewone onderwijs. Het persoonsgebonden budget kan een kans bieden om inclusie te verbeteren. Zolang het onderwijssysteem echter niet structureel verandert, moeten mensen individueel vechten voor de inclusie van hun kind.

Problemen

  • Veel hangt af van de ondersteuning die mensen krijgen bij de aanvraag en het beheer van hun budget: Bij de aanvraag voor een persoonsgebonden budget moet de kandidaat budgethouder soms veel verschillende formulieren invullen, informatie geven en documenten indienen. Daarvoor is veel tijd en geduld nodig en de betrokkene moet bepaalde vaardigheden hebben zoals kennis over arbeidsrecht, sociaal zekerheid, personeelsbeleid enz. Sommigen laten zich hierdoor afschrikken en maken dus geen gebruik van hun mogelijkheden.

    Voor de uitbetaling van het persoonsgebonden budget moet de budgethouder regelmatig rekenschap afleggen. Er zijn verschillende rapporten te schrijven enz. Dit hangt samen met het feit dat de uitvoering van het persoonsgebonden budget kampt met de mentaliteit van het oude zorgsysteem. Dat is een gevaar voor de kansen op meer zelfbeschikking en flexibiliteit van de budgethouders. Zo getuigt een medewerkster van het BZSL in Berlijn dat ze zich niet op haar gemak voelt, omdat ze altijd moet rapporteren en de boekhouding moet bijhouden. Zij heeft de indruk dat er een soort wantrouwen heerst aan de kant van de geldgever. De overheid gaat er precies vanuit dat mensen dit budget misbruiken.

    A. Roman, vrijwilliger van People First: "Men wordt een werkgever, soms met 7 à 9 werknemers, en dat brengt veel verantwoordelijkheid met zich mee. Niet iedereen met een leermoeilijkheid kan dat aan. De Selbstbestimmt beweging (onafhankelijk leven - Independent Living Movement) denkt er anders over. Zij gaan zeer ver en willen het PGB voor iedereen, maar dat is niet de mening van People First. Het PGB is niet voor iedereen passend en ons doel is om mensen met een leermoeilijkheid te helpen."

    Volgens de studie over het TPB worden bepaalde groepen van mensen met een handicap niet uitgesloten. Op de vraag of iedereen toegang heeft tot het persoonsgebonden budget antwoordt A. Roman dat mensen met leermoeilijkheden veel minder kansen hebben op een persoonsgebonden budget dan andere.

    J. Windheuser, Osnabrück: "Het is makkelijker voor die mensen met een beperking, die zelf over de intellectuele vaardigheden beschikken om de wetgeving te begrijpen en hun belangen tegen de belangen van anderen te verdedigen (...) of voor mensen die over een langere periode intensieve sociale begeleiding krijgen. Anderen, vooral mensen met een mentale beperking, hebben geen echte kans. Slechts weinig dienstverleners hebben hun aanbod op het Persönliche Budget afgestemd."

    Hier stelt zich dus de vraag hoe sterk de persoon met een handicap staat. Personen met een handicap worden wel in de aanvraagprocedure betrokken en kunnen ook een vertrouwenspersoon meebrengen, maar het is toch niet altijd en voor iedereen gemakkelijk om een standpunt te verdedigen dat tegen de administratie in gaat. Echte participatie veronderstelt dat de betrokkene persoon over een goede kennis beschikt over het persoonsgebonden budget en de wetgeving. Iemand moet ook als persoon sterk in zijn schoenen staan. Veel hangt ook af van de instantie en persoon bij wie men de budgetaanvraag indient. De interviews tonen aan dat het succes van een budgetaanvraag afhankelijk is van de houding van de verantwoordelijke instantie en de kennis van het personeel.

    De TPB studie bevestigt dat de participatie van de betrokken personen afhangt van hoe de instanties hun gespreken voeren. Er zijn grote verschillen tussen de regio's en de instanties onderling. Sommigen gebruiken externe consulenten om de behoefte te bepalen en het budget te berekenen. Volgens de onderzoekers hebben personen met een handicap betere kansen op participatie als de procedure niet gedomineerd wordt door de uitbetalende instantie zelf (dus als een onafhankelijke instantie de behoeften evalueert).

  • Budgetten zijn te laag: A. Roman: "Het budget is niet voldoende om mensen te betalen. Er wordt verwacht dat buren of familieleden het werk doen voor een lage prijs. Zwartwerk is ook een groot probleem, maar wij zeggen: neen, we willen geen illegaal werk financieren. Het budget moet dus hoog genoeg zijn."

    De kosten voor ambulante diensten of privé-diensten mogen niet hoger liggen dan de kosten van zorg in natura. Dit betekent volgens Kohlmetz dat het persoonsgebonden budget sommige kosten niet dekt (bijv. voor consultatie). Deze beperking geeft de betrokkenen het gevoel dat het niet om hun echte behoeften gaat, maar om een besparing op kosten voor nochtans noodzakelijke dienstverlening.

    Het probleem is dat het persoonsgebonden budget in tijden van economische problemen is ingevoerd en de budgetten dus niet voldoende hoog zijn (in tegenstelling tot Zweden). Kohlmetz suggereert dat het mogelijk moet zijn om met het persoonsgebonden budget aan preventie te doen en op lange termijn kosten te besparen. Dit gaat echter niet samen met een economisch denken en een politiek denken op korte termijn. Zorg in natura zal op korte termijn altijd goedkoper zijn.

  • Onvoldoende informatie, begeleiding en consultatie: Alle interviewpartners noemden als negatief aspect van het persoonsgebonden budget in Duitsland de ontbrekende of gebrekkige consultatie voor de gebruiker. Het is vooral een groot probleem dat de consultatie en begeleiding van de aanvrager niet in het budget zijn inbegrepen. Per persoon wordt gemiddeld zes uur gerekend voor informatie over de aanvraagprocedure. Dit kan echter geen onafhankelijke begeleiding genoemd worden. Advies en consultatie zijn dus niet in het budget inbegrepen en budgethouders kunnen met hun voorziene budget bijv. geen consultatieassistent betalen.

    A. Roman: "Er wordt van mensen verwacht dat ze zich privé informeren en vrienden of familieleden vragen. Wie dit niet wil, moet het van het PGB nemen, maar het kost te veel. Men kan een mens er toch niet voor straffen als hij het niet op zijn alleen kan doen!"

    Veel organisaties, zoals de FAB Kassel of Gute Hilfe selbstbestimmt Osnabrück, eisen bijgevolg een onafhankelijke en kosteloze consultatie. Anders worden mensen uitgesloten die geen begeleiding van vrienden en familie krijgen. Dit speelt vooral in het nadeel voor mensen met een verstandelijke beperking.

  • Politieke verandering nog niet op administratief niveau gebeurd: Het persoonsgebonden budget is de uitdrukking van een paradigmaverandering in Duitsland. Op hoog politiek niveau is deze paradigmaverandering al voltrokken, maar nog niet op niveau van de administratie en van de instanties van sociale zekerheid (dienstenverleners). Het oude systeem bestaat nog altijd en ministeries en de administratie hebben problemen met de veranderde situatie. Veel administraties zijn niet bereid om hun denken te veranderen. Als er meer vraag van de kant van mensen met een handicap komt, zal de administratie zich moeten aanpassen.

  • Decentralisering zorgt voor coördinatieproblemen en verschillende interpretaties van persoonsgebonden budget: Doordat de uitvoering van het persoonsgebonden budget op gemeentelijk niveau gebeurt, hebben de verschillende administraties en instanties elk veel verantwoordelijkheid. Dit heeft tot gevolg dat er verschillende manieren bestaan om het persoonsgebonden budget uit te voeren. Bovendien loopt de kennis over het persoonsgebonden budget erg uiteen. Voor een persoon met een handicap betekent dit in de praktijk dat het succes van de aanvraag op een persoonsgebonden budget ervan kan afhangen bij welke instantie zij/hij aanklopt. Sommige instanties zijn heel goed geïnformeerd en ondersteunen de persoon met een handicap, terwijl andere de procedure blokkeren.

  • Persoonsgebonden budget onder vuur door dienstverleners (vooral Werkstätten): Volgens Uwe Frevert deden de Werkstätten (speciale woon- en werkplaatsen voor mensen met een handicap) een voorstel om de mogelijkheden van het persoonsgebonden budget te beperken. Budgethouders zouden alleen maar diensten kunnen inkopen van de voorziening waarin ze ook wonen. De FAB Kassel gaat dit aanvechten, maar de politiek lijkt door de Werkstatt-lobby verleid te worden.


Conclusie: welke lessen kunnen we trekken uit Duitsland?

In het algemeen zijn de evaluaties van het persoonsgebonden budget in Duitsland positief. Volgens de wet heeft iedere persoon met een handicap de mogelijkheid een aanvraag in te dienen. Het is een heel belangrijke stap in de richting van zelfbeschikking en vrijheid van personen met een handicap. Ook de meeste mensen die zelf een budget krijgen, getuigen dat hun leven daardoor verbeterd is.

Tot nu toe zijn er in Duitsland echter niet veel persoonsgebonden budgetten toegekend. De meeste personen met een handicap ontvangen dus zorg in natura en kunnen niet zelf beslissen welke begeleiding ze krijgen, door wie en wanneer. Dit toont aan dat het persoonsgebonden budget nog niet genoeg bekend is of dat het politiek niet voldoende gesteund wordt. Dit hangt misschien samen met de politieke veranderingen in Duitsland. De wetgeving over het persoonsgebonden budget werd vooral door de vorige regering (sociaaldemocraten en groenen) verbeterd. Met de huidige regering (coalitie conservatieven met sociaaldemocraten) heeft de Werkstätten-lobby wellicht meer kans om het persoonsgebonden budget te beperken en hun belangen te verdedigen.

Er zijn een aantal nadelen met het persoonsgebonden budget zoals het in Duitsland wordt geïmplementeerd. Er is vooral nood aan betere consultatie en begeleiding van de budgethouders. Ook zijn verbeteringen nodig op het vlak van administratieve samenwerking en op het vlak van het budget zelf (hoogte, beperkingen, controle enz.).

  • Personen met een handicap en dienstverleners moeten over voldoende informatie beschikken. Jochen Windheuser benadrukt dat een informatiecampagne fundamenteel is: "de gewone publieke evenementen met emancipatorische speeches en informatiebrochures zijn niet voldoende; er moet over een langere periode met een kleine groep mensen gewerkt worden."
  • Personeelsleden van dienstverleners moeten een vorming krijgen over het persoonsgebonden budget. Ook de omgang met mensen met een beperking zijn ze vaak niet gewoon. Dit is nochtans heel belangrijk, vooral tijdens de aanvraagprocedure, omdat zij de participatie van personen met een handicap moeten garanderen.
  • Consultatie, informatie en begeleiding voor en tijdens het persoonsgebonden budget zijn van groot belang. Tot nu toe worden deze kosten niet door het budget gedekt. De persoon met een handicap moet dus zelf over de nodige kennis beschikken of is afhankelijk van de steun van familieleden, vrienden of het advies van organisaties. Wanneer dit ontbreekt, kan dit mensen weerhouden om een dossier in te dienen. Jochen Windheuser pleit voor een kostenvrije consultatie en begeleiding. Hij denkt ook dat er meer controle nodig is, zij het niet zo sterk als in Nederland. "Enkel met een echt onafhankelijke en kosteloze consultatie heeft iedereen gelijke kansen om het PB te ontvangen." De onderzoeksgroep van het TPB stelt ook vast dat de consultatiediensten uitgebreid moeten worden.
  • De hoogte van het budget moet aan de individuele behoeften aangepast zijn en moet ook de consultatiekosten insluiten. Alle effectieve kosten moeten gedekt worden. De kosten kunnen niet vergeleken worden met die van voorzieningen en zorg in natura. Het is dus niet mogelijk om een budget te beperken tot een bepaalde som die voor de zorg in natura voorzien is. Bij de bepaling van het budget moet men rekening houden met de levensomstandigheden van de betrokken persoon.
  • Het aanbod van diensten moet voldoende zijn. Vooral ambulante diensten zijn essentieel, anders heeft de persoon met een handicap geen keuze tussen een persoonsgebonden budget en zorg in natura.
  • Coördinatie van het nationale beleid en de regionale implementatie zijn nodig. Anders zijn gebruikers en personeelsleden onzeker over hun rechten en plichten voor het persoonsgebonden budget. Het moet duidelijk zijn welke instantie voor welke dienst verantwoordelijk is.

gelijke kansen