Eén-campusscholen betekenen niet automatisch inclusie
Wat praktijkgericht onderzoek ons leert over de kansen en grenzen van het campusmodel
GRIP vond het aangewezen om één-campusscholen in Vlaanderen kritisch te onderzoeken. De Vlaamse regering werkt aan nieuwe plannen rond inclusief onderwijs, die momenteel worden besproken binnen een Staten-Generaal. Daarbij worden één-campusscholen naar voren geschoven als een eerste stap, met een geplande opstart vanaf september 2026. Tegen deze achtergrond wilde GRIP beter begrijpen wat deze campussen vandaag effectief betekenen voor inclusie. Daarom gaf GRIP aan onderwijsexpert Seline Somers de opdracht om via praktijkgericht onderzoek na te gaan in welke mate één-campusscholen een hefboom zijn voor inclusief onderwijs, en onder welke voorwaarden.
Eén-campusscholen worden vaak voorgesteld als een concrete stap richting inclusie: gewoon en buitengewoon onderwijs delen een campus en zouden zo dichter bij elkaar komen. Het onderzoek dat GRIP liet uitvoeren toont echter aan dat fysieke nabijheid op zich onvoldoende is. Inclusie ontstaat pas waar gedeelde visie, gemengde klaspraktijken en structurele ondersteuning samenkomen. Tegelijk maken deze campussen de scherpe grenzen zichtbaar van een onderwijssysteem dat inclusie nog onvoldoende als norm hanteert.
Kernbevindingen
De bevindingen tonen een sterk uiteenlopend beeld. Hoewel één-campusscholen vaak worden voorgesteld als hefboom voor inclusief onderwijs, stellen we vast dat slechts een beperkte groep campussen erin slaagt om meerdere kernwaarden van inclusie gelijktijdig waar te maken. In de meeste gevallen blijft samenwerking beperkt tot het niveau van infrastructuur of losse afstemming, zonder gedeelde klaspraktijk of gezamenlijke verantwoordelijkheid voor alle leerlingen.
Waar inclusieve praktijken wel zichtbaar zijn, gaat het meestal om kleinschalige trajecten met een selecte groep leerlingen, vaak met type 9- en/of OV4-profielen. Hierdoor ontstaat een vorm van selectieve inclusie, waarbij sommige leerlingen worden betrokken, terwijl andere leerlingen met ondersteuningsnoden niet worden meegenomen.
De campussen die het verst staan in inclusieve werking, delen enkele duidelijke kenmerken. Ze werken met gemengde klasgroepen, structurele co-teaching en een gedeelde pedagogische visie. Ondersteuning is er niet aanvullend of individueel georganiseerd, maar ingebed in de dagelijkse klaspraktijk. Deze scholen tonen aan dat inclusie kan leiden tot hogere leerwinst, meer welbevinden en versterkte professionalisering van leerkrachten. Tegelijk maken ze zichtbaar dat deze praktijken zich slechts binnen beperkte marges kunnen ontwikkelen zolang het onderwijssysteem zelf fundamenteel gescheiden blijft.
Discussie: kansen en grenzen van het campusmodel
De bevindingen plaatsen het campusmodel in een spanningsveld. Enerzijds bieden één-campusscholen reële kansen. Ze brengen expertise uit het buitengewoon onderwijs dichter bij de klas, verlagen drempels voor samenwerking en creëren ruimte om te experimenteren met gedeelde verantwoordelijkheid. In die zin functioneren ze als laboratoria waar inclusieve praktijken tastbaar worden.
Anderzijds legt het onderzoek structurele grenzen bloot. De dubbele organisatie van gewoon en buitengewoon onderwijs, met aparte financiering, regelgeving en ondersteuningsstructuren, verhindert dat campussen kunnen uitgroeien tot echte inclusieve scholen. Zelfs gemotiveerde teams botsen op administratieve scheidingen, ongelijke middelen en verschillende verantwoordingslijnen. Hierdoor blijven campussen vaak functioneren als twee scholen naast elkaar, in plaats van als één geïntegreerd geheel.
Een bijkomend risico is dat één-campusscholen onbedoeld nieuwe vormen van segregatie creëren. Homogene groepen zoals aparte auti-klassen of afdelingen op basis van noden versterken interne scheiding, ook wanneer de intentie inclusief is. Bovendien kan de profilering van campussen leiden tot een aanzuigeffect, waarbij ze vooral leerlingen met specifieke ondersteuningsbehoeften aantrekken, wat de weerspiegeling van de maatschappij verder onder druk zet.
Conclusies en aanbevelingen van GRIP
Voor GRIP is de centrale conclusie helder: één-campusscholen dragen slechts betekenisvol bij aan inclusief onderwijs wanneer alle kernwaarden van inclusie samen en consequent worden gerealiseerd. Het gedeeltelijk invullen van enkele principes leidt hoogstens tot integratie, niet tot inclusie.
De onderzochte campussen tonen het best haalbare scenario binnen de huidige Vlaamse systeemlogica. Ze maken duidelijk dat inclusie werkt wanneer klasgroepen divers zijn, ondersteuning structureel is ingebed en leerkrachten gezamenlijk verantwoordelijkheid opnemen. Tegelijk tonen ze onmiskenbaar de grenzen van een onderwijssysteem dat inclusie nog niet als uitgangspunt hanteert.
De toekomst van één-campusscholen ligt daarom niet in de verdere verfijning van het campusmodel zelf, maar in hun rol als voorlopers en katalysatoren. Ze kunnen zichtbaar maken wat mogelijk is, maar echte inclusie vraagt een fundamentele systeemverandering. Pas wanneer Vlaanderen evolueert naar één geïntegreerd onderwijssysteem met gelijkwaardige financiering, gedeelde verantwoordelijkheid en structurele ondersteuning, kan inclusie de norm worden voor alle scholen.
Echte inclusie betekent dat alle kinderen samen naar school kunnen in hun buurt, in klasgroepen die de diversiteit van de samenleving weerspiegelen, met ondersteuning die duurzaam en vanzelfsprekend aanwezig is. Eén-campusscholen kunnen hierin een belangrijke rol spelen, maar alleen wanneer ze bewust de stap zetten van integratie naar volwaardige inclusie voor iedereen.
GRIP waarschuwt ervoor om één-campusscholen te beschouwen als dé stap richting inclusief onderwijs. Deze focus dreigt andere noodzakelijke hefbomen te overschaduwen. Inclusie vraagt ook versterking van scholen en gezinnen die – los van één-campusscholen – inclusief onderwijs realiseren. Ze vraagt bovendien het wegwerken van structurele drempels, zoals het tekort aan ondersteuning voor leerlingen en scholen, én een consequente naleving van het inschrijvingsrecht.
Eén-campusscholen kunnen inspirerend zijn, maar mogen geen alibi worden om bredere systeemverandering uit te stellen.
Wie het onderzoek verder wil lezen, kan hier het volledige onderzoeksrapport raadplegen of hier de samenvatting lezen.
Gerelateerde artikels
GRIP steunt het inclusieplan van minister Demir
Vlaamse regering publiceert consultatienota voor scholen voor iedereen
02 dec 2025 / Nina Boddin
vraag en antwoord: onderwijs
Inclusief onderwijs houdt in dat de gewone school open staat voor alle leerlingen. Voor leerlingen met extra ondersteuningsnoden of een handicap houdt inclusief onderwijs in dat ze, met een eigen leer ...
14 nov 2023 / Marie Aeles
Info en gespreksavond inclusief onderwijs
31 mei in het bruispunt voor inclusie Brugge
28 apr 2023 / Patrick Vandelanotte
Meer buitengewoon onderwijs. Is dit wel legaal?
20 dec 2021 / Patrick Vandelanotte
Onderwijsinspectie gaat via een app in gesprek met alle onderwijsactoren
De onderwijsinspectie heeft een app gelanceerd: VOI.CE om in gesprek te gaan met alle actoren.
07 dec 2021 / Seline Somers
Wat als busvervoer voor leerlingen buitengewoon onderwijs overbodig werd?
Zoals jullie waarschijnlijk wel weten staat GRIP voor inclusief onderwijs. Waarom dit artikel dan met betrekking tot buitengewoon onderwijs?
03 dec 2021 / Seline Somers
Minister Weyts neemt het recht op inclusief onderwijs niet serieus
28 jun 2021 / Seline Somers
GRIP vraagt programmatiestop in het buitengewoon onderwijs
16 jun 2021 / Seline Somers
Welke juridische houvast hebben ouders bij de inschrijving?
01 apr 2021 / Seline Somers
Wat vertraagt volgens GRIP de uitbouw van inclusief onderwijs?
16 feb 2021 / Seline Somers