Nieuw onderzoek stelt middelentoets in sociale huisvesting in vraag.
Interview met onderzoekster Jill Schoeters: “Een harde vermogensgrens is wellicht niet de beste manier van werken”
Een sterke en toegankelijke sociale huisvesting is een belangrijke pijler van een goed en inclusief woonbeleid. Daar zijn veel organisaties, experten en beleidsmakers het over eens. In de sociale huisvesting kampt men echter met lange wachtlijsten. De kaap van 200.000 wachtenden op een sociale woning werd al overschreden. Steeds vaker worden er allerlei voorwaarden gesteld voor de toegang tot een sociale huurwoning. Daardoor komt het recht op wonen verder onder druk te staan. GRIP heeft hier eerder al een artikel over gepubliceerd.
Een nieuw onderzoeksrapport van het Steunpunt Wonen plaatst nu vraagtekens bij het gebruik van de middelentoets in de sociale huisvesting. GRIP nam samen met andere middenveldorganisaties deel aan een focusgroep binnen dit onderzoek.
We gingen in gesprek met Jill Schoeters (VUB), een van de onderzoekers.
"Dag Jill, kan je toelichten waar jullie onderzoek over gaat?
Ons rapport evalueert de invoering van de middelentoets in de sociale huisvesting. Sinds 1 januari 2024 is dit een bijkomende inschrijvings- en toelatingsvoorwaarde voor kandidaat-huurders van een sociale woning. Kandidaat-huurders en potentiële kandidaat-huurders mogen niet beschikken over saldi op spaar-, betaal-, termijn- en effectenrekeningen die bepaalde grenzen overschrijden.
De vermogensgrenzen worden gelijkgesteld aan de inkomensgrenzen en jaarlijks geïndexeerd. Voor het jaar 2026 worden de volgende grenzen gehanteerd: € 31.361 voor alleenstaanden, € 33.988 voor alleenstaanden met een handicap en € 47.039 voor alle andere situaties. Per persoon ten laste, zoals een kind, wordt er nog eens een verhoging van € 2.629 toegepast.
(Je kan de grensbedragen terugvinden op deze website van de overheid )
Hoe heeft de overheid die grenzen bepaald?
De vermogensgrenzen werden gelijkgesteld aan de reeds bestaande inkomensgrenzen. Dit gebeurde jammer genoeg zonder voorafgaande wetenschappelijke onderbouwing. Met dit onderzoek wilde de overheid, meer bepaald de Vlaamse minister van Wonen, alsnog nagaan hoe de grensbedragen op een wetenschappelijk onderbouwde manier kunnen worden vastgesteld. Tegelijkertijd moet het onderzoek uitklaren of er voor bepaalde groepen in een kwetsbare situatie uitzonderingen nodig zijn. De aanleiding voor deze studie waren eerdere verontrustende signalen vanuit het middenveld.
GRIP kreeg heel wat reacties binnen van mensen met een handicap die door de middelentoets geen toegang meer kregen tot een sociale woning.
Vanuit meerdere organisaties uit het middenveld werden inderdaad al snel bezorgdheden geuit over de nadelige effecten van de middelentoets op bepaalde doelgroepen in een maatschappelijk kwetsbare positie sinds de invoering ervan. Met dit onderzoek wilde men onderzoeken of er goed onderbouwde grensbedragen voor een middelentoets mogelijk zijn. En of differentiatie naar specifieke doelgroepen hierbij gewenst is.
Uit jullie onderzoek blijkt dat veel huishoudens met een persoon met een handicap zich in een kwetsbare positie bevinden en dat de middelentoets deze positie bijkomend onder druk zet.
Zoals eerder onderzoek aantoont, hebben veel huishoudens met een persoon met een handicap geen groot vermogen. Degenen die wel meer vermogen hebben, hebben vaak een laag inkomen. Hierdoor kunnen ze op de lange termijn moeilijk sparen. Bovendien worden ze vaak geconfronteerd met hoge kosten die verband houden met hun handicap. Het is dus logisch dat zij in een iets ruimere spaarbuffer moeten voorzien om toekomstige kosten en onzekerheden te dekken. Met de invoering van de middelentoets kunnen zij daar nu voor worden afgestraft en worden uitgesloten van een sociale woning, terwijl ze er toch nood aan hebben.
Dit is bovendien tegenstrijdig, aangezien een middelentoets juist bedoeld is om ervoor te zorgen dat sociale voordelen en diensten, zoals een sociale woning, terechtkomen bij mensen die daar door hun financiële of maatschappelijke situatie het meest behoefte aan hebben. Deze verontrustende reacties vanuit het middenveld tonen echter dat juist het omgekeerde gebeurt en dat bepaalde doelgroepen in een kwetsbare positie wél worden uitgesloten.
Hoe zijn jullie te werk gegaan in jullie onderzoek?
Een eerste stap bestond erin om te gaan kijken in welke andere Europese en Angelsaksische landen er een middelentoets voor toegang tot sociale huisvesting bestaat. Uit de analyse blijkt dat het slechts om een heel beperkt aantal landen gaat. Door te kijken hoe de middelentoets in deze landen werd toegepast en op basis van een aantal voorbereidende gesprekken met verschillende experts uit het middenveld en overheidsadministraties, hebben we verschillende “bouwstenen” geïdentificeerd. Die zouden later kunnen bijdragen aan het formuleren van een meer rechtvaardige middelentoets in de Vlaamse context. Deze bouwstenen werden vervolgens in de focusgroep, waarin jullie organisatie ook aanwezig was, verder besproken. Zo kregen we nog meer directe inbreng over het meest gewenste scenario binnen de Vlaamse context. Daarnaast voerden we een kwantitatieve analyse uit op basis van data uit een Europese bevraging. Daarmee brachten we in kaart welke huishoudens vóór de invoering van de middelentoets in aanmerking kwamen voor een sociale woning en over welke financiële middelen zij beschikten. Vervolgens onderzochten we welke van deze huishoudens vandaag door de middelentoets worden uitgesloten.
Wat is jullie conclusie?
Uit de kwantitatieve analyse blijkt dat de huidige middelentoets slechts een beperkte groep uitsluit. Van de huishoudens die geen eigendom bezitten en een inkomen onder de inkomensgrens hebben, wordt 12,8% door de middelentoets uitgesloten. In de praktijk ligt dat aandeel mogelijk nog lager. Niet alle huishoudens die formeel in aanmerking komen, schrijven zich immers daadwerkelijk in voor een sociale woning. De huishoudens die zich wel inschrijven, beschikken waarschijnlijk gemiddeld over minder financiële middelen dan de volledige groep die formeel in aanmerking komt. We moeten hierbij wel benadrukken dat het om een kleine steekproef gaat. De resultaten geven dus vooral een indicatie en mogen niet als een exacte representatie van de werkelijkheid worden gezien.
Tegelijkertijd toont de kwalitatieve analyse, op basis van voorbereidende gesprekken, een rondetafel en mailverkeer met middenveldorganisaties, aan dat er binnen de uitgesloten groep wel degelijk kwetsbare huishoudens zitten die moeilijk een haalbaar alternatief vinden op de private huurmarkt. Binnen deze groep bevinden zich bijvoorbeeld gepensioneerden of personen met een handicap.
Daarom kunnen er vraagtekens worden geplaatst bij de wenselijkheid en doeltreffendheid van een middelentoets als toegangsinstrument voor sociale huisvesting. Bovendien wijst de internationale vergelijking erop dat slechts weinig landen zo’n middelentoets gebruiken. Door het gebrek aan buitenlandse voorbeelden is het moeilijk om de doeltreffendheid en relevantie van een middelentoets in Vlaanderen te onderbouwen.
Zeggen jullie eigenlijk: mensen moeten genoeg spaargeld kunnen opbouwen als buffer voor als ze het nodig hebben?
Ja, zeker. De internationale literatuur toont aan dat vermogen een belangrijke rol speelt in de kansen en het algemene welzijn van gezinnen, zeker voor mensen met een laag inkomen. Wie spaargeld of andere middelen heeft, kan beter omgaan met onverwachte kosten en investeren in basiszaken zoals onderwijs of wonen. Vermogen geeft op die manier ook meer mentale rust en een gevoel van controle over het leven. In tegenstelling tot inkomen, dat vooral nodig is voor dagelijkse uitgaven, kan vermogen de leefomstandigheden op de lange termijn verbeteren.
Een middelentoets kan dus nadelige effecten hebben. Als de grenzen te laag liggen, kan de middelentoets huishoudens ervan weerhouden te sparen, omdat ze eerst hun beperkte reserves moeten opgebruiken voordat ze recht hebben op steun. Daardoor worden hun spaarbuffers kleiner en worden ze kwetsbaarder voor nieuwe tegenslagen. Onderzoek toont aan dat dit voor sommige groepen, zoals personen met een handicap, zelfs kan leiden tot een soort armoedeval: doordat ze niet te veel mogen sparen om recht te kunnen hebben op bepaalde uitkeringen of voordelen die nodig zijn om in hun basisbehoeften te voorzien, wordt het moeilijk om een financiële buffer op te bouwen en minder afhankelijk te worden van die uitkeringen of voordelen.
Raden jullie aan om de middelentoets af te schaffen voor toegang tot een sociale huurwoning?
Aan het einde van het onderzoeksrapport formuleren we drie grote beleidsscenario’s voor de Vlaamse context. Het eerste scenario vertrekt vanuit het standpunt dat er beter geen middelentoets voor toegang tot sociale huisvesting in Vlaanderen zou bestaan, of in elk geval niet in zijn huidige vorm.
Dit standpunt wordt onderbouwd met verschillende argumenten. Zoals eerder vermeld, komt een middelentoets nauwelijks voor in andere Europese landen en blijkt uit de analyse dat het uitsluitingseffect in Vlaanderen beperkt is. Tegelijkertijd behoren tot de groep uitgeslotenen wél kwetsbare huishoudens die moeilijk terecht kunnen op de private markt. Dat roept vragen op over de doeltreffendheid en effectiviteit van de maatregel.
Daarnaast bestaan er zorgen over mogelijke negatieve effecten op het spaargedrag van huishoudens en over de verdere stigmatisering van sociale huurders. De privacy van kandidaat-huurders komt eveneens onder druk te staan. Zij moeten uittreksels van hun spaar-, betaal-, termijn- en effectenrekeningen voorleggen, terwijl de rest van de bevolking dergelijke informatie niet hoeft te delen. Dat roept ook vragen op over gelijkheid en eerlijkheid.
Ook inhoudelijk rijzen er vragen, bijvoorbeeld over welke componenten van vermogen wel of niet worden meegerekend en of die keuzes wel altijd rechtvaardig zijn. Zo worden schulden bijvoorbeeld niet van het totaalvermogen afgetrokken. Daardoor kan er niet worden gesproken over een netto-middelentoets, wat volgens sommige experts niet correct is. In verschillende andere landen wordt hier wel rekening mee gehouden. Voor sociale huisvestingsmaatschappijen betekent de middelentoets bovendien een aanzienlijke administratieve belasting. Tegelijkertijd ontbreekt er tot nu toe een duidelijk en betrouwbaar controlesysteem. Uit gesprekken met verschillende middenveldorganisaties en actoren uit de sector blijkt bovendien dat er weinig algemeen draagvlak is voor de maatregel.
Alles samen vormt dit een sterke basis voor de conclusie dat de huidige middelentoets geen geschikt instrument is om te bepalen wie toegang krijgt tot sociale huisvesting in Vlaanderen.
Wat als de overheid toch met een middelentoets wil blijven werken? Welke grensbedragen kan men dan gebruiken?
Het blijkt niet eenvoudig om een grensbedrag vast te stellen voor een harde vermogensgrens. Toch konden we op basis van de documentanalyse, internationale voorbeelden en gesprekken met betrokken organisaties een aantal componenten identificeren die deel zouden moeten uitmaken van een noodzakelijke spaarbuffer. Die kunnen dienen als handvaten om te komen tot een rechtvaardiger grensbedrag dan de bedragen die nu gehanteerd worden. Om uitspraken te doen over concrete grensbedragen in de Vlaamse context is echter aanvullend onderzoek nodig. Bovendien blijft het bepalen van een grensbedrag een beleidsmatige en politieke keuze.
Een andere belangrijke conclusie uit de kwantitatieve analyse is dat de verdeling van het vermogen rond de huidige grensbedragen vrij vlak is. Dat betekent dat een kleine verhoging of verlaging van de vermogensgrenzen slechts een beperkt effect zou hebben op het aantal gezinnen dat wordt uitgesloten of toegelaten. Dit betekent ook dat de grensbedragen kunnen worden verhoogd zonder dat daardoor plots een grote groep extra huishoudens toegang krijgt. Tegelijk zou een hogere grens ervoor zorgen dat verschillende kwetsbare groepen die vandaag worden uitgesloten, toch toegang kunnen krijgen tot sociale huisvesting.
Kan je een paar voorbeelden geven van die componenten?
We konden drie spaarcomponenten identificeren die kunnen bijdragen aan beter onderbouwde vermogensgrenzen. Beleidsmakers kunnen ervoor kiezen om één, twee of alle drie deze componenten mee te nemen bij het bepalen van de vermogensgrenzen.
Een eerste component vertegenwoordigt een spaarbuffer die in tijdelijke huisvesting op de private huurmarkt moet voorzien. Dit gaat specifiek over het bedrag dat een huishouden nodig heeft om tijdelijk op de private huurmarkt te wonen. De hoogte van dit bedrag hangt sterk af van de regio, de huurprijzen en de wachttijd voor sociale huisvesting. Het idee is dat huishoudens over voldoende middelen moeten beschikken om die wachttijd te overbruggen.
Een tweede component betreft een basisbuffer voor onvoorziene kosten. Elk huishouden heeft een minimale reserve nodig om onverwachte uitgaven op te vangen, zoals een kapotte koelkast of een autoreparatie. Voor de berekening van deze buffer wordt binnen het sociaal beleid vaak gekeken naar drie tot zes maanden netto-inkomen of naar drie tot zes maanden aan vaste en variabele uitgaven. Deze spaarbuffer dient te voorkomen dat huishoudens bij een financiële tegenslag meteen in financiële problemen komen.
Een derde component gaat over bescherming tegen tijdelijke inkomensdalingen of langetermijnuitgaven. Dit vertegenwoordigt een spaarbuffer die voorziet in langetermijnbehoeften, zoals de financiering van de studies van kinderen en voor inkomensdalingen, bijvoorbeeld bij pensionering of tijdelijke werkloosheid. Via simulaties kan worden berekend hoeveel spaargeld nodig is om in dergelijke situaties financiële stabiliteit te behouden.
Jullie merken op dat in België vooral een middelentoets wordt gehanteerd als het gaat over toegang tot sociale voordelen.
Ja, klopt. In Vlaanderen lijkt er een tendens te bestaan waarbij vermogen steeds vaker wordt meegenomen bij het beoordelen van de toegang tot sociale voordelen of bij het bepalen van de hoogte van tegemoetkomingen via een fictief inkomen uit vermogen.
Een fictief inkomen uit vermogen is een bedrag dat de overheid veronderstelt dat iemand verdient uit zijn spaargeld of beleggingen, ook al krijgt die persoon dat inkomen niet effectief op zijn rekening. Dit fictieve inkomen uit vermogen wordt gebruikt bij bepaalde vormen van vermogenstoetsing om het vermogen op een meer indirecte manier mee te laten wegen bij het bepalen van de toegang tot sociale diensten of de hoogte van sociale en fiscale voordelen.
We merken echter dat in Vlaanderen het vermogen doorgaans wordt meegenomen in voordelen voor lagere inkomensgroepen. Bij tegemoetkomingen of sociale en fiscale voordelen die de hele bevolking ten goede komen, is dit veel minder het geval. Een voorbeeld hiervan is het uitblijven van een middelentoets voor de renovatiepremie. Of, meer algemeen, het uitblijven van een vermogenskadaster, omwille van politieke weerstand.
Wat is jullie belangrijkste aanbeveling voor het beleid?
De Vlaamse overheid zou moeten evolueren naar één duidelijk, rechtvaardig en privacyvriendelijk systeem om vermogen mee te nemen bij het toekennen van verschillende voordelen. Dat geldt zowel voor sociale voordelen als voor meer algemene subsidies, premies of belastingvoordelen waar ook hogere inkomensgroepen gebruik van maken. In dat geval ligt het meer voor de hand om te werken met een systeem waarbij een fictief inkomen uit vermogen wordt meegerekend bij de inkomenstoets. Zo kan een ruimer en consistenter inkomensbegrip worden ontwikkeld, zonder gebruik te maken van harde vermogensgrenzen.
Daarnaast moet worden nagedacht over de manier waarop deze informatie wordt aangeleverd. Voor het ontvangen van sociale premies of een studietoelage volstaat vandaag een verklaring op eer. Kandidaat‑sociale huurders moeten echter ook uittreksels van de saldi op hun spaar-, betaal-, termijn- en effectenrekeningen voorleggen. Een consequente aanpak vergt ofwel dat overal met een verklaring op eer wordt gewerkt, ofwel dat een rechtvaardig en werkbaar systeem wordt ontwikkeld om informatie over het vermogen te verzamelen. Een mogelijkheid is om de middelentoets te koppelen aan de belastingaangifte, al wordt in Vlaanderen het vermogen daarin niet aangegeven. Nog verregaander is de invoering van een vermogenskadaster. Dat zou kunnen bijdragen aan een eerlijkere en meer consistente vermogenstoetsing over verschillende beleidsdomeinen heen. Dit kan zowel een verstandige herverdeling van publieke middelen ondersteunen als misbruik helpen voorkomen.
Kan je een paar voorbeelden geven van zo’n fictief inkomen uit vermogen?
Er kunnen twee vormen worden onderscheiden.
De eerste vorm betreft een middelentoets die wordt gebruikt om te bepalen hoe hoog een sociale tegemoetkoming of uitkering is voor personen die daar recht op hebben. Wie over meer vermogen beschikt, ontvangt in dat geval een lagere tegemoetkoming dan iemand met minder vermogen. Dit gebeurt via een geleidelijke afbouw op basis van een fictief inkomen uit vermogen. Men gaat er hierbij van uit dat het vermogen inkomsten oplevert en die fictieve opbrengst wordt vervolgens afgetrokken van de maandelijkse uitkering. Doorgaans betreft het fictieve inkomen uit vermogen een bepaald percentage van het totaalvermogen boven een vastgestelde buffer. Dit type toets wordt in Vlaanderen bijvoorbeeld toegepast bij de bepaling van het leefloon en de inkomensgarantie voor ouderen.
Bij de tweede vorm telt men het fictieve inkomen uit vermogen op bij het reguliere inkomen. Daarmee bepaalt men of iemand toegang krijgt tot een sociale dienst of tegemoetkoming. Het bedrag na de optelling mag een vooraf vastgelegde grens niet overschrijden: de verruimde inkomensgrens. In dit geval is er dus geen sprake van een harde vermogensgrens. Deze benadering wordt bijvoorbeeld in Nederland toegepast bij het bepalen van de toegang tot de huurtoeslag.
Jullie onderzoek is afgerond. Wat zijn nu de stappen die ministers kunnen zetten om hieraan gevolg te geven, op korte en langere termijn?
Indien de middelentoets voor toegang tot sociale huisvesting in zijn huidige vorm blijft bestaan met harde vermogensgrenzen, is het op korte termijn interessant om verder te onderzoeken hoe die grensbedragen kunnen worden onderbouwd. Het kader, bestaande uit de verschillende bouwstenen, dat wij in deze studie hebben aangereikt, kan daarbij als vertrekpunt dienen. Daarnaast kan verder onderzoek nagaan hoe een alternatief met een fictief inkomen uit vermogen in Vlaanderen kan worden ingevoerd.
Zoals eerder vermeld, zou de Vlaamse overheid op langere termijn moeten toewerken naar een duidelijk en samenhangend kader om vermogen mee te nemen bij het bepalen van de toegang tot sociale voordelen en diensten en van de hoogte van de tegemoetkomingen. Zo kan een duurzaam, transparant en gelijkwaardig systeem ontstaan dat de administratieve last beperkt en een rechtvaardige inzet van publieke middelen ondersteunt."
Hartelijk dank Jill Schoeters, voor deze informatieve uitleg over jullie onderzoek over de middelentoets!
WAT VINDT GRIP ?
GRIP vindt het goed dat Vlaams minister van Wonen Melissa Depraetere (Vooruit) de signalen ernstig neemt en dit onderzoek bestelde over de middelentoets, die door haar voorgangers werd ingevoerd. GRIP hoopt dat de minister snel ingrijpt. We vragen dat de Vlaamse overheid de conclusies van dit onderzoek ter harte neemt. Elke dag dat - niet wordt ingegrepen, lopen mensen, ook personen met een handicap, vast door de niet-onderbouwde middelentoets.
Het recht op wonen van personen met een handicap vereist dat zij daadwerkelijk toegang hebben tot betaalbare woningen. De middelentoets beperkt de toegang tot sociale huisvesting en sluit mensen uit die een sociale woning nodig hebben. Dat kan niet de bedoeling zijn van een sociaal woonbeleid.
Gerelateerde artikels
Middelentoets mag mensen niet uitsluiten van een sociale woning
Dit is een korte samenvatting in eenvoudigere taal van het interview met onderzoekster Jill Schoeters.
23 jul 2026 / Katrijn Ruts
Carehousing - Een grote stap naar inclusief wonen
Ans en Charlotte ijveren met Carehousing voor inclusief wonen in steden met 24/7 betaalbare hulp “ook voor wie een hoge ondersteuningsnood heeft”
29 jun 2026 / Katrijn Ruts
Charlotte en Ans huren privaat in hartje Antwerpen
15 jan 2026 / Katrijn Ruts
GRIP voedt de Strategische Cirkel Wonen en Leefomgeving
Het VAPH wil samen met andere domeinen een Perspectiefplan 2040 maken.
28 nov 2025 / Katrijn Ruts
"Wonen in 2040: Zo zou wonen moeten zijn"
De eerste bijeenkomst van de Strategische Cirkel Wonen en Leefomgeving focust op hoe we de toekomst zien.
28 nov 2025 / Katrijn Ruts
Bruispunt Brugge: info en gespreksavond wonen
woensdag 19 november | 19u tot 21u
16 okt 2025 / Patrick Vandelanotte
Wat voor Academische Werkplaats De-Institutionalisering is er nodig in de toekomst?
09 sep 2025 / Katrijn Ruts
Hoe was GRIP betrokken bij de Academische Werkplaats Deïnstitutionalisering (AWDI)?
Een moeilijk proces
09 sep 2025 / Katrijn Ruts
Marleen getuigt hoe ze haar appartement aangepast liet bouwen.
Een goede illustratie van het belang van woningaanpassingen! Maar wat voor mensen die na 65 een handicap krijgen?
04 sep 2025 / Katrijn Ruts
Getuigenis Jan: “Cohousing is samen leven als goede buren”
In dit artikel vertelt Jan jou meer over zijn leven in een cohousing project in Brugge.
05 aug 2025 / Katrijn Ruts